Twaalf Kamerleden om in de gaten te houden

De woningmarkt of de kokkelvisserij? Een goede portefeuille is van levensbelang voor Kamerleden. De ene is sexy en interessant voor de media, de andere niet. Nu het nieuwe kabinet is begonnen, zijn ook in het parlement de laatste banen verdeeld.

Nerveuze activiteit aan het Binnenhof. Woordvoerderschap, portefeuille, voorzitterschap, fractiebestuur – dat waren veelgebezigde begrippen, de afgelopen twee weken in het Tweede Kamergebouw. De buitenwereld merkte er niets van, de binnenwereld des te meer. Het ging om de aankleding van het Kamerlidmaatschap. Wie mag waarover het woord voeren in de Tweede Kamer? Ruim twee maanden na de verkiezingen bestaat nu ook hierover duidelijkheid.

Eerst was er nog de ‘grote ronde’, de formatie, gevolgd door de verdeling van de kabinetsposten. Daarna was het binnen de fracties tijd om de talrijke beleidsterreinen tussen de Kamerleden te verdelen. Een strijd van vreugde en verdriet. Wie is straks dat bekende, veelgevraagde Kamerlid dankzij dat belangrijke politieke onderwerp, en wie moet genoegen nemen met een plek in de luwte? Anders gezegd: wie zijn de parlementariërs met groeipotentie?

Kamerleden zijn mensen met een missie. Althans, dat zeggen de meesten als hun gevraagd wordt waarom ze de politiek zijn ingegaan. Ze willen iets bereiken. Van PVV’er Fleur Agema – „Ik ben de politiek ingegaan om misstanden aan de kaak te stellen en met nieuwe en betere plannen te komen” – tot en met VVD’er Erik Ziengs – „De belangen van het midden- en kleinbedrijf worden onderbelicht in de politiek.”

Maar Kamerleden zijn ook mensen met ambitie, mensen die verder willen. Deelnemers aan een cursus ‘werking van de politiek’ van de Campus Den Haag herinneren zich een gastcollege van (toen nog) VVD-Kamerlid Stef Blok. Herverkiezing was toch wel één van de belangrijke opdrachten voor een Kamerlid, zei hij. Dat betekent in de huidige tijd: gezien en gehoord worden. En dat is makkelijker als woordvoerder bij een onderwerp dat middenin de belangstelling staat.

Kamerleden praten er veelal pas achteraf over; als ze zijn vertrokken: over de pikorde in de fractie, de lobby voor bepaalde functies, het gefluister over kandidaten. Neem Bert Middel. Tot 2002 was hij Tweede Kamerlid voor de PvdA. In 2003 publiceerde hij een weinig vrolijk stemmend boek over zijn ervaringen in Den Haag. Hij beschrijft daarin hoe hij in 1989 als net beëdigd Kamerlid meeloopt met de ervaren collega’s. „Toen ik mijn belangstelling voor ‘oorlogsgetroffenen’ dat onder welzijn viel, kenbaar maakte bij de toenmalige eerste woordvoerder, Jan Schaefer, zei deze: ‘Je mag naast me zitten bij het debat, als je je kop maar houdt.’ En zo geschiedde.”

Vijftig nieuwkomers telt de huidige Tweede Kamer. Verdeeld over twee grote fracties en een groot aantal kleinere. Mensen die zich allemaal een beleidsterrein moeten toe-eigenen. Daarbij geldt: hoe kleiner de fractie, hoe groter de portefeuille. En andersom: hoe groter de fractie, hoe kleiner de portefeuille. Met als uitkomst, zo wil het hardnekkige verhaal: het Kamerlid in de grote fractie dat wel over de mosselvisserij mag praten, maar de kokkelvisserij moet overlaten aan een collega.

Zo bezien hebben vooral de nieuwkomers in de fracties van VVD en PvdA het moeilijk. Beide partijen zijn bij de verkiezingen van 12 september flink uitgedijd. Het werk moet over meer mensen worden verdeeld. Voor de laaggeplaatste nieuwkomers geldt dan veelal dat ze achterin de rij moeten aanschuiven. Zo kan bij de PvdA nieuwkomer Grace Tanamal zich op het beleidsterrein sociale zaken gaan bezighouden met de de kruimels mantelzorg, vrijwilligerswerk en verlofregelingen. Haar ervaren fractiegenoot Roos Vermeij, tevens lid van het fractiebestuur, doet de grote onderwerpen: AOW, pensioenen en werkne mersverzekeringen.

Dan hebben de leden van de fracties van CDA, D66, SP en PVV met hun fracties van tussen de twaalf en vijftien leden de ideale grootte. Met ongeveer op iedere minister één Kamerlid hebben zij aanzienlijk minder last van onderlinge concurrentie.

Aan het Kamerlidmaatschap is ook buiten de eigen fractie eer te behalen, als voorzitter van een Kamercommissie. In veel gevallen gaat het letterlijk om het procedureel voorzitten. Maar de procedure is in de politiek van het grootste belang. De afgelopen week zijn nagenoeg alle voorzitters gekozen. Niet voor niets hebben de regeringspartijen VVD en PvdA alle zware commissies met een eigen voorzitter in handen.

Het voorzitterschap van de commissie voor Buitenlandse Zaken, vorige week toegevallen aan PvdA’er Angelien Eijsink, geldt op het Binnenhof als het meest prestigieuze. Dit houdt verband met de vele representatieve activiteiten die eraan vastzitten, zoals de ontvangst van staatshoofden uit het buitenland.

In 2001 gunde de rest van de Tweede Kamer de door het CDA als fractievoorzitter afgeserveerde Jaap de Hoop Scheffer het voorzitterschap van deze commissie. Hij deed het niet lang. Binnen een jaar was De Hoop Scheffer zelf minister van Buitenlandse Zaken.

Met medewerking van Annemarie Kas, Derk Stokmans, Oscar Vermeer en Erik van der Walle