Technisch vernieuwer omarmde het gevoel

Simeon ten Holt werd een van de bekendste componisten van ons land met zijn werk Canto Ostinato. De meditatieve kracht betoverde velen.

Hoe bepaal je de grootheid van een componist? Aan zijn vernieuwingskracht of aan zijn impact op de luisteraar? Het is een vraag die in de twintigste eeuw vaker relevant is geweest, maar bij componist Simeon ten Holt de kern vormt van zijn wordingsstrijd. Zijn Canto Ostinato (1976-1979) behoort tot de vaakst uitgevoerde werken uit de Nederlandse muziekgeschiedenis. Maar eer Ten Holt dáár, bij dat contemplatieve, tonale en urenlang aanzwellende en wegebbende idioom was uitgekomen, was hij de vijftig al ruim gepasseerd.

In zijn luchtige autobiografie Het woud en de citadel (2009) memoreert Ten Holt zijn levensweg – overigens ook met scherp oog voor alledaagsheden als zijn talrijke liefdesaffaires („Het is een levensstijl”) en kunstenaarsvriendschappen, onder meer met dichter Adriaan Roland Holst en schrijver H.C. ten Berge.

Simeon ten Holt werd op 24 januari 1923 geboren in Bergen, het kunstenaarsdorp dat ondanks uitstapjes naar Amsterdam, Parijs en New York het brandpunt van zijn leven bleef. Hij studeerde bij zijn behoudende dorpsgenoot Jacob van Domselaer die hem afried naar het conservatorium te gaan. In Parijs kreeg Ten Holt later wel lessen van Honegger en Milhaud, maar in 1954 keerde hij terug naar Bergen, waar hij een nieuw technisch procedé ontwikkelde: de diagonaalgedachte.

Dat uitgangspunt – het gelijktijdig benutten van meer toonsoorten die in kwintencirkelverhouding tot elkaar staan – stond aan de wieg van zijn Bagatellen (1954). In de jaren zestig experimenteerde Ten Holt ook met het serialisme, culminerend in ...A/.TA-LON (1968), naar zijn eigen – latere – inzicht resultaat van „twee jaar bureaucratisch tafelwerk (…), een symbool van onvruchtbaarheid”.

De queeste naar een taal die wél vruchtbaar was, bracht Ten Holt in de jaren zeventig tot onderzoek naar elektronische klankproductie. Ook ging hij zich concentreren op composities voor piano, het instrument dat hij zelf bespeelde.

In Canto Ostinato (1976-1979) is het aantal uitvoerders, instrumenten en de duur variabel, wat ook geldt voor andere succesvolle werken als Lemniscaat en Incantatie IV. De bezwerende, repetitieve taal die Ten Holt hier bezigt en die je als luisteraar onherroepelijk van de klokkentijd losweekt, omschreef hij zelf als „tonaliteit na de dood van de tonaliteit”. Hij kwam ertoe na een diepe crisis (het „woud” uit zijn memoires) waarin zijn worsteling met componeren vanuit verstand leidde tot het omarmen van een muziek die juist zeer gevoelsmatig is en waarin de interactie tussen de musici cruciaal is.

Aanvankelijk schaamde Ten Holt zich voor Canto. Maar het publiek omarmde het werk: de cd werd een eclatant verkoopsucces.

De laatste jaren was Ten Holt zwak. „Toen ik merkte dat ik bij het componeren niet meer op papier kreeg wat ik wilde dat het worden zou, ben ik gestopt”, zei hij in 2009. „In feite ben ik mijn eigen slotakkoord geworden.”

    • Mischa Spel