Milities vechten om de schatten van Oost-Congo

De Democratische Republiek Congo overlegt met zijn buurlanden over het stoppen van de nu oprukkende rebellen. Ze moet wel: de hele regio heeft belangen in de illegale mijnbouw in Oost-Congo. De grondstoffen worden via Rwanda en Oeganda uitgevoerd: goud, en coltan voor laptops en smartphones. Een oorlogseconomie.

De geschiedenis herhaalt zich in Congo. Het oosten van dit onmetelijke land verkeert al twee decennia in een bijna permanente staat van oorlog. Het patroon is telkens hetzelfde: door Rwanda gesteunde rebellen rukken op. En het ongedisciplineerde Congolese leger is geen partij. Congo en Rwanda stonden al vier keer op dit punt. Eerst in 1996, toen in 1998 en vervolgens in 2004 en 2008. Het eerste conflict vloeide nog rechtstreeks voort uit de genocide in Rwanda in 1994: Tutsi-soldaten van president Paul Kagama joegen op naar Congo gevluchte Hutu’s die zij verantwoordelijk hielden voor de genocide. Sindsdien gaat de strijd voornamelijk om grondstoffen.

Congo bulkt van het goud, koper, diamanten, kobalt en ook coltan, een onmisbaar bestanddeel van laptops en telefoons. De provinciehoofdstad Goma, die precies op de grens met Rwanda ligt en die vorige week werd ingenomen door de rebellen, is een belangrijke doorvoerhaven voor grondstoffen uit Oost-Congo. De informele economie van deze regio vloeit van Congo over in Rwanda en Oeganda, mede door de sterke tribale banden.

Dit weekeinde overlegden de buurlanden in Oeganda over het conflict. Net als in 1998 dreigen zij in het geweld gezogen te worden. Destijds raakten acht Afrikaanse landen direct bij de oorlog betrokken. Zimbabwe, Angola, Namibië en Tsjaad vochten aan de kant van de Congolese regering tegen Rwanda, Oeganda en Burundi. Het was een krachtmeting op continentale schaal met Congo als strijdtoneel. Volgens grove schattingen zijn sinds 1998 drie miljoen mensen omgekomen.

Maar hun betrokkenheid leverde de buurlanden ook wat op. Zo controleerden Rwanda en Oeganda met hulp van lokale milities grote delen van Congo om de grondstoffen te exploiteren. De Rwandese export van diamanten nam toe van 166 karaats in 1998 tot 30.500 karaats twee jaar later. Het Rwandese leger verdiende in krap achttien maanden tijd 250 miljoen dollar, telden onderzoekers van de VN. Ook Angola en Zimbabwe profiteerden. Angola stal voor miljarden dollars aan olie, en de Zimbabweaanse president Robert Mugabe kon zijn leger jarenlang laten teren op de mijnregio Katanga in het zuiden van Congo.

Rwanda en Oeganda trokken na het vredesakkoord van Pretoria hun troepen terug, maar de Tutsi-regering van Rwanda behield via de milities en de Congolese Tutsi’s aanzienlijke invloed. Er zijn tientallen milities in het wetteloze Oost-Congo actief, die de bevolking terroriseren en mijnen controleren. De meeste milities zijn opgericht door burgers, aanvankelijk om zich te verdedigen tegen andere strijdgroepen. Maar al snel gingen ze dezelfde gewelddadige methodes gebruiken om mijnen te confisqueren en invloed te verwerven.

Door de aanwezigheid van al die rebellengroepen, milities en het slecht georganiseerde leger heeft Oost-Congo een oorlogseconomie. Opbrengsten uit de mijnen vloeien niet of nauwelijks naar de staatskas. Elke gewapende groep, inclusief het leger, stelt voor hongerlonen burgers te werk in mijnen, waarna de grondstoffen goeddeels via Rwanda en Oeganda worden uitgevoerd. Deze illegale mijnbouw houdt het conflict in stand.

Volgens het Amerikaanse Enough Project is goud nu de voornaamste bron van inkomsten van de milities. Door de Dodd Frank Act, die Amerikaanse beurzen genoteerde bedrijven verplicht de herkomst van mineralen bekend te maken, kunnen ze alleen verdienen aan goud, dat ook nog gemakkelijk de grens over te smokkelen is. Congo exporteerde in de eerste helft van 2012 officieel maar 23 kilo goud. Twee tot vier ton ging illegaal de grens over.

De rebellengroep M23, die vorige week Goma innam, wil controle krijgen over de goudmijn in Masisi. M23 komt voort uit de rebellenbeweging CNDP, die met steun van Rwanda grote delen van Oost-Congo veroverde en in 2008 ook al aan de poort van Goma stond. Na een vredesakkoord werden de strijders geïntegreerd in het leger, maar hun macht werd niet gebroken. Ze vormden een parallelle commandostructuur binnen het leger, die de grondstoffenhandel naar Rwanda bleef controleren. Toen de Congolese regering deze eenheden in maart naar elders wilde overplaatsen, om hun macht te breken, deserteerde een deel van de voormalige CNDP. De muiters noemden zich M23, een verwijzing naar het vredesakkoord van 2009. Ze zeggen dat hun opstand voortkomt uit onvrede over de uitvoering daarvan. Experts denken dat dit moet verbloemen waar het werkelijk om gaat. Hoge militairen en ambtenaren in Rwanda en Oeganda zullen hun grote belangen in de grondstoffenhandel niet opgeven.