Brokkenpiloot Erdogan

De Turkse premier Erdogan heeft de hulp ingeroepen van de NAVO tegen Syrië. Het gaat niet goed met zijn regionale ambities. De Egyptische leider Morsi blijkt effectiever.

Turkish Prime Minister Recep Tayyip Erdogan gives a thumbs-up sign from the cockpit of the Turkish Primary and Basic Trainer Aircraft Stringer/Hollandse Hoogte

Recep Tayyip Erdogan heeft nooit geleerd F-16’s te vliegen. Toch liet hij zich met leren vliegersjack fotograferen achter de stuurknuppel van een straaljager, een bril als Tom Cruise in Topgun op zijn neus. Dat is de Turkse premier zoals hij zichzelf het liefst ziet: commander in chief, de Vladimir Poetin van de Turkse republiek.

Niemand kan het succes ontkennen van dit kind uit de achterstandswijk Kasimpasa te Istanbul, in zijn tienerjaren nog straatverkoper van limonade en broodkransjes. Nu tien jaar aan de macht. Sinds de dood van Mustafa Kemal Atatürk in 1938, zag Turkije geen politiek leider voortvarender te werk gaan dan hij. Vorig jaar werd zijn partij voor de derde keer op een rij herkozen met meer dan vijftig procent van de stemmen. Erdogan staat aan het hoofd van een economie die met 8 procent groei vorig jaar alle buurlanden deed verbleken. Turkije is een van de weinige landen ter wereld die in de rapporten van kredietbeoordelaars als Fitch en Moody’s keer op keer positief worden geherwaardeerd. Met het honderdjarig bestaan van de republiek in 2023 in het vooruitzicht, heeft de premier zijn land veranderd in een bouwput. Hogesnelheidstreinen, een derde vliegveld bij Istanbul, een kanaal zo lang als de Bosporus, tunnels, bruggen, nieuwe pleinen, grotere moskeeën. Onder Erdogan heeft het woord crisis geen enkele betekenis.

Maar in de buitenlandse diplomatie ontpopt Erdogan zich als een brokkenpiloot, waarbij zijn ambities en idealen de droom van een groot en sterk Turkije steeds meer in de weg staan. Neem de Gaza-crisis. De eerste Israëlische raket was nog maar net in Gaza gevallen of de Turkse premier greep de microfoon om Israël van „etnische zuivering” te beschuldigen. „Israël terroriseert het Midden-Oosten”, sprak de premier tijdens een bijeenkomst van zijn partij. De premier van het land dat in 2002 zijn buitenlandse politiek omdoopte onder de vlag van „nul problemen”, haalde uit naar de Verenigde Naties, Amerika en iedereen die Israël zijn gang liet gaan. Zelfs oud-premier Ariel Sharon die sinds januari 2006 kunstmatig in leven wordt gehouden, moest het ontgelden. „Toen ik Israël bezocht vertelde Ariel Sharon me dat zijn grootste plezier was om boven op tanks te staan. Hoe kun je dit zeggen?”

Turkije heeft het allemaal al eerder gehoord. Erdogan nam begin 2009 al afscheid van Israël als de bondgenoot in de regio, op een beladen bijeenkomst in het Zwitserse Davos. Erdogan beschuldigde daar Israël er van een groot talent te hebben voor het doden van kleine kinderen, alvorens van het podium af te stormen. Twee jaar geleden verbrak Turkije alle samenwerking met het land nadat Israëlische commando’s negen Turkse activisten hadden gedood die met hulpgoederen op weg waren naar de Gazastrook. Turkije eist niet alleen excuses en compensatie van de slachtoffers maar ook opheffing van de Israëlische blokkade van de Gazastrook.

„Politieke retoriek is als een drugsverslaving”, vreest columnist Kadri Gürsel. „Als je er eenmaal aan geproefd hebt, dan kan je behoefte alleen gestild worden met meer en sterker spul. Het is een suïcidale weg.”

Zijn premier is verslaafd en de waarnemers aan de zijlijn vragen zich af: waarheen met het land dat zich zo graag ziet als de regionale leider en bruggenbouwer? De architect van het staakt-het-vuren in Gaza was geen Turk, maar Mohammed Morsi, president van Egypte. Morsi sprak geen woord te veel tegen Israël, maar voerde druk uit op alle partijen om tot een vergelijk te komen. „Egypte leidt”, zegt Ilter Turan, hoogleraar Internationale Betrekkingen aan de Bilgi Universiteit in Istanbul. „Morsi is meer pragmatisch, gepokt en gemazeld. Terwijl Turkije zichzelf heeft gegijzeld door zijn eigen onwrikbare standpunten. We zijn door onszelf in de hoek gezet.”

Kadri Gürsel, buitenlandcommentator bij de krant Milliyet beaamt dat: „Turkije zit vast, in het Midden-Oosten, in Europa. En in eigen land. Tot een jaar geleden kon je zeggen dat de Turkse buitenlandpolitiek ook binnenlands de regering vooruit hielp. Dat tij is nu ook gekeerd.”

De twee analisten doelen niet alleen op de anti-Israëlische retoriek die aanvankelijk zowel op de Turkse als de Arabische straat enthousiast werd ontvangen. Erdogan raakte de onderbuik van het land en profiteerde tegelijkertijd economisch door betere banden met de Arabische landen. Toen Hosni Mubarak nog leefde en Egypte deed zoals de Verenigde Staten en Israël wilden, vulde Turkije in een handomdraai het leiderschapsvacuüm in de regio. Maar door de nieuwe allianties na de ‘Arabische lente’ is de Turkse toverformule uitgewerkt.

In zijn steun aan het Syrische verzet tegen president Bashar al-Assad koos de sunniet Erdogan ook partij in de onoverbrugbare kloof in het Midden-Oosten tussen sunnitische (Qatar, Saoedi-Arabië) en shi’itische (Iran, Irak, Syrië) regeringen. Turkije vervreemdde zichzelf van zijn buren Irak en Iran en de minderheden in Syrië en Libanon.

„Voor het eerst sinds zijn aantreden kan Erdogan zijn keuzes niet uitleggen aan zijn kiezers. De meeste Turken voelen niets voor oorlog met Syrië en vragen zich af wat de steun aan het Syrische verzet Turkije heeft opgeleverd behalve instorting van de grenshandel en 120.000 vluchtelingen. „De buitenlandvisie komt niet verder dan morele verontwaardiging over het onrecht in de wereld”, zegt hoogleraar Turan. „Terwijl Turkije zelf ook niet voldoet aan de normen en waarden die het anderen probeert op te leggen. Als het op onze eigen Koerden aankomt, zijn we geen haar beter.”

Turkije beleefde de bloedigste zomer in dertien jaar. De strijd tussen het Turkse leger en de Koerdische PKK kostte opnieuw aan honderden mensen het leven. „Het onopgeloste Koerdische probleem blijft Turkijes achilleshiel”, zegt buitenlandcommentator Kadri Gürsel. Hij wijst op de steun die de boze buren Irak en Iran en verontwaardigd Israël (kunnen) geven aan de Koerdische PKK. „Turkije kan geen nul-problemenpolitiek met zijn buren nastreven zolang het niet de problemen met de Koerden oplost.”

Ondanks het toestaan van de Koerdische taal op scholen, universiteiten en spoedig ook in de rechtbank, liet dezelfde regering duizenden Koerdische jongeren arresteren. Zeker 80 Koerdische journalisten zitten gevangen wegens vermeende banden met de PKK. Maar voor aanslagen legt Erdogan liever de verantwoordelijkheid bij de Syrische president Assad die net als zijn vader onderdak zou geven aan de PKK. Het zijn de beperkingen van een leider die drijft op de onderbuik van zijn kiezers. „De regering laat haar oren hangen naar het volk dat wel een oplossing wil voor de terreur maar geen politieke oplossing voor de Koerden”, zegt Gürsel. „Turken zijn ervan overtuigd dat zo’n oplossing het land zou verdelen. Dus blijven we doormodderen.”