Weg , weg , defensie bondgenoten weg invloed Met een sterft de NAVO scheve verdeling van de lasten

Nederland riskeert betekenisloosheid door steeds verder in zijn defensie te snijden, stelt Julian Lindley-French.

De Nederlandse krijgsmacht heeft een breekpunt bereikt. In de jaren negentig zette Den Haag het Nederlandse leger het mes op de keel, opeenvolgende kabinetten drukten de afgelopen tien jaar door en de nieuwe regering probeert nu alleen nog het lijk te verbergen.

De gevolgen van dit overhaaste politieke afscheid van een realistische defensie zijn somber, of het nu gaat om de landsverdediging of om de bondgenootschappen en instellingen die voor de verdediging van Nederland centraal zijn. Terwijl Europa op weg is naar een wereld met hyperconcurrentie om hulpbronnen en chronische instabiliteit aan zijn grenzen, zegt Nederland in feite tegen zijn bondgenoten: ‘Verdedig ons alsjeblieft.’ Maar geen bondgenootschap of unie overleeft op den duur een scheve verdeling van risico’s en lasten en dat gevaar loopt Den Haag.

De Nederlandse krijgsmacht treft geen blaam, want die heeft heldhaftig geprobeerd de kloof te dichten tussen dat wat politici van haar hebben gevraagd en dat waartoe ze in staat is. De feiten spreken voor zichzelf. In een ideale defensiewereld zou de balans tussen de operationele kosten plus investeringen en de personeelskosten fiftyfifty moeten zijn. Van de sterk verlaagde Nederlandse defensiebegroting van 7,5 miljard euro (die met 1 procent van het bruto nationaal product de helft van het NAVO-minimum bedraagt) gaat 4,5 miljard euro oftewel 60 procent naar personeel, zodat na aftrek van operationele kosten maar 10-15 procent voor investeringen overblijft. Dat cijfer is eenvoudig onhoudbaar en zal op den duur tot het feitelijke einde van het Nederlandse leger als strijdmacht leiden.

Vergelijk dit eens met de Britten, die met eenzelfde economische beproeving kampen. De Britse defensie-uitgaven zullen in 2012 meer dan 57 miljard euro belopen. Ook als we de verschillende strategische culturen van beide landen in aanmerking nemen, geven de Britten per hoofd van de bevolking tweemaal zoveel aan defensie uit als de Nederlanders. Bovendien zijn de Britten van plan in tien jaar tijd zo’n 200 miljard euro, oftewel 20 miljard euro per jaar, in defensie-uitrusting te investeren, meer dan het dubbele van de jaarlijkse Nederlandse defensiebegroting.

De gevolgen zullen drieledig zijn: Groot-Brittannië, dat al vindt dat het in Afghanistan te veel van de verliezen heeft geleden, zal Nederland als bondgenoot niet hoog meer aanslaan. De Amerikanen zullen dit nog sterker voelen – de kloof tussen de strijdkrachten van de technologisch rijke Britten en de technologisch arme Nederlanders zal zodanig groeien dat beide legers nog heel moeilijk samen operaties kunnen uitvoeren. En ten derde zal de NAVO een langzame dood sterven doordat het haar aan de benodigde geloofwaardige slagkracht ontbreekt.

De Nederlandse krijgsmacht zou wel het een en ander kunnen doen om het gebrek aan investeringen te helpen goedmaken. De Britten vormen een nieuw Joint Force Command (JFC) waarbinnen de Britse landmacht, luchtmacht en marine op nieuwe, radicale manier militaire zaken aanpakken. Een dergelijke synergie tussen de drie Nederlandse onderdelen lijkt te zijn vastgelopen.

Maar wat de Nederlandse krijgsmacht ook doet, niets weegt op tegen de schade die haar door Den Haag is toegebracht.

De gevolgen worden binnenkort duidelijk. Een goed voorbeeld is de Joint Strike Fighter. De huidige plannen voorzien in 85 van die toestellen voor een bedrag van zo’n 4,5 miljard euro. Dat is binnen de huidige begroting onhoudbaar, tenzij Den Haag de marine of de landmacht schrapt. Daarom is het misschien beter om het absolute minimum aan te schaffen, ook al zouden er dan op korte termijn aanzienlijke extra kosten in de verlenging van de levensduur van de F-16 gaan zitten. Het wachten is dan op 2019, als de productielijn van de F-35 in bedrijf is en de Nederlanders goedkoper tweedehands F-16’s van de Amerikanen kunnen kopen (en/of meer F-35’s zonder de onvermijdelijke kinderziekten).

Ook de Britten erkennen dat enkele van hun grote aankoopprogramma’s moeten worden uitgesmeerd om slagkracht en betaalbaarheid in evenwicht te brengen, met als opvallendste voorbeelden de twee supervliegdekschepen van 65.000 ton, HMS Queen Elizabeth en HMS Prince of Wales, die zich vermoedelijk nu beide tegen 2020 bij de vloot zullen voegen. Maar zelfs met zo’n uitgesmeerd aankoopprogramma moeten er nog pijnlijke beslissingen worden genomen, zoals over de vraag of de voortreffelijke, maar verouderde Nederlandse onderzeeërs uit de Walrusklasse moeten worden vervangen.

Uiteindelijk komt het hierop neer: als Den Haag nog veel verder in de strijdmacht snijdt, wordt een punt bereikt waarop het zinniger zou zijn om het hele leger af te schaffen.

Het rapport Verkenningen uit 2010 probeerde wegen te vinden om bij een krimpende begroting toch iets als een evenwichtige strijdmacht te behouden. Maar datzelfde jaar werd op de resterende defensiebegroting nog eens 1 miljard euro bezuinigd en is het ook met die illusie gedaan. De keuze die het Nederlandse leger dan ook rest, is ofwel een gespecialiseerd onderdeel met een paar goede formaties en mogelijkheden te worden, ofwel – nu de Nederlanders eigenlijk hebben besloten elke pretentie van defensieve soevereiniteit te laten varen – om samen met andere kleine en veel minder ambitieuze Europese landen in een geheel geïntegreerde defensie op te gaan.

Voor alles moeten Nederlandse politici strategisch bij zinnen komen. Hun collectieve onvermogen om iets te begrijpen van de gevaarlijke veranderingen en de onmisbare rol van een geloofwaardige strijdmacht als basis waarop alle vormen van nationale invloed rusten, is niet alleen schadelijk voor de Nederlandse defensie, maar ook voor die van Europa en daarbuiten. Hoe intelligent civiele beveiliging ook mag zijn, ze kan nooit op tegen het belang van een strijdmacht die bereid en in staat is om samen met bondgenoten het gevaar tegemoet te treden.

Nederland is een enorm gerespecteerd land, met een enorm gerespecteerde strijdmacht. Maar zoals de Amerikaanse oud-minister van Defensie William S. Cohen in een toespraak in Den Haag onlangs bedekt te kennen gaf: als Nederland bij zijn defensie zo doorgaat op de weg van de ontkenning, zal niet alleen dat respect verloren gaan, maar ook veel invloed waarop zulk respect berust. Zoals de Amerikanen zouden zeggen: het wordt tijd dat Den Haag zijn defensiewaarheid onder ogen ziet.

Julian Lindley-French is voormalig docent defensiestrategie aan de Nederlandse Defensie Academie. Tegenwoordig is hij lid van de stra- tegische adviesraad van de Britse chefdefensiestaf in Londen en van de strategische advies- groep bij de Amerikaanse Atlantische Raad in Washington.