Ramptoerist in crisistijd

Om te overleven moet een bedrijf zich permanent vernieuwen, betoogt Jan Adriaanse, hoogleraar ‘turnaround management’. Nederlandse bedrijven zijn daar volgens hem niet goed in. Maar als ze in de problemen komen, dan moet de overheid ze niet redden.

Cees Banning

Voor de economische crisis gingen in Nederland gemiddeld driehonderd bedrijven per maand failliet. Dat is nu het dubbele. „Deze crisis is een crisis van grote getallen”, zegt Jan Adriaanse. Voor een hoogleraar reorganisatie en faillissement zijn het ‘gouden tijden’. „Ik voel mij een ramptoerist”, zegt Adriaanse.

Vrijdag sprak hij aan de Universiteit van Leiden zijn oratie uit. Moeten we ondernemingen in crisis redden? Na drie kwartier praten kwam het verlossende woord. „Mijn afsluitende conclusie zou dan ook zijn, en ik hou mijn adem even in, dat we ondernemingen in crisis niet moeten redden.”

Nederland staat, zo verwacht Adriaanse, aan de vooravond van nog een aantal forse bedrijfssaneringen. Bij de vorige recessie, die volgde op de kredietcrisis van 2008, waren bedrijven nog vaak terughoudend met het schrappen van personeel – nu zijn reorganisaties aan de orde van de dag.

In het derde kwartaal van 2008 brak de zwaarste financiële crisis uit sinds de jaren ’30. De wereldhandel nam af met 13,4 procent in 2009 en de economie kromp met 3,5 procent. Het Centraal Planbureau (CPB) verwachtte dat de werkloosheid zou stijgen van bijna 4 procent in 2008 naar 8,8 procent in 2010. Maar de effecten op de arbeidsmarkt waren verrassend gematigd. Dit kwam vooral doordat bedrijven op grote schaal personeel, waarvoor tijdelijk geen werk was, vasthielden. Hierdoor bleef de werkloosheidspiek in 2010 steken op 5,5 procent.

Het belangrijkste motief om personeel níét te ontslaan, was de grote krapte op de arbeidsmarkt voorafgaand aan de crisis. In die periode moesten bedrijven grote inspanningen leveren om geschikt personeel te vinden en te behouden.

Adriaanse: „Toen de crisis in 2008 uitbrak, waren ondernemers terughoudend met het ontslaan van hun personeel, omdat zij daarmee het risico zouden lopen bij een aantrekkende economie opnieuw veel tijd en geld kwijt te zijn met het werven, bijscholen en inwerken van nieuw personeel.”

Bovendien hielp de overheid ontslagen te voorkomen. Zo werd in Nederland tijdelijk de deeltijd-WW ingevoerd, waarbij werkgevers hun mensen met een aanvullende WW-uitkering minder uren konden laten werken. Volgens het CPB maakten destijds, op het hoogtepunt van de crisis, ongeveer 40.000 mensen gebruik van deze regeling. Die regeling bestaat nu niet.

Daarnaast hadden veel bedrijven in Nederland behoorlijke reserves opgebouwd. „Daarmee konden zij saneringen lange tijd uitstellen”, zegt Adriaanse. „Ook omdat men verwachtte dat de crisis van korte duur zou zijn.” Maar nu, waarschuwt Adriaanse, is „de citroen leeg geperst”. De verwachtingen bij consumenten en producenten zijn somber. „De faillissementsgolf zal nog wel even aanhouden en bedrijven zullen fors saneren.”

Naast het hoogleraarschap is Adriaanse adviseur van sanerende bedrijven. Hij richtte begin vorig jaar de denktank Turnaround Powerhouse op. „In een snel veranderende wereld helpen wij succesvolle ondernemingen om gezond te blijven en ondersteunen we bedrijven en organisaties die tegenwind ondervinden”, meldt zijn website.

De titel van uw oratie ‘Moeten we ondernemingen in crisis redden?’ slaat dus alleen op de politiek. Ondernemingen in crisis zijn voor u brood op de plank?

„Correct. Maar de vraag die er eigenlijk aan vooraf gaat: kunnen we ondernemingen in crisis redden? Het antwoord daarop is meestal ja. Politici zeggen zelden ‘laat maar failliet gaan’. Ze hebben snel de neiging om een groot bedrijf overeind te houden. Neem bijvoorbeeld het Zeeuwse fosforbedrijf Thermphos dat deze week failliet ging. De fabriek zegt last te hebben van zwaar economisch weer en oneerlijke concurrentie uit Kazachstan. Dan wordt al snel naar de overheid gekeken, terwijl je je kunt afvragen of dat een taak voor de overheid is.”

Wanneer moet een overheid bijspringen?

„Wanneer een overheid steun verleent, zegt die overheid: ‘Ik weet het beter dan de markt’. Immers, een bedrijf zou zonder die steun failliet gaan. Kortom: als de markt nee zegt, moet de overheid dan ja zeggen? Als ik in de stukken van de provincie Limburg lees dat NedCar alleen gered kon worden met steun van de overheid dan is dat geen goede business case. Ondernemersrisico’s worden dan bij de belastingbetaler gelegd. Dit geldt ook voor de volstrekt misplaatste steun aan clubs in het betaald voetbal. Helemaal verkeerd. Bedrijven moeten zichzelf redden.”

Toch zijn er in het verleden voorbeelden van succesvolle steun-interventies door de overheid. Daf in 1993 en KPN in 2001.

„Toen was de wereld overzichtelijker. De voorkeuren van producenten en consumenten veranderen nu razendsnel. De technologische veranderingen gaan ook heel snel. De wereld is veel transparanter en competitiever geworden. Managementgoeroe Michael Porter sprak nog van toetredingsdrempels. Deze drempels waren vaak hoog in markten met een hoog rendement. Maar deze drempels zijn in de geglobaliseerde wereld verdwenen. Achter je pc start je met een goede website een bedrijf en kun je producenten vanuit de hele wereld benaderen en multinationals beconcurreren. Wij noemen dat mininationals. In zo’n wereld past geen overheidsingrijpen met staatssteun. Principieel ben ik er ook op tegen. Laat de markt gewoon haar werk doen.”

Verstoort overheidsingrijpen de markt?

„Absoluut. Het Amerikaanse autoconcern General Motors werd met steun van de Amerikaanse overheid op de been gehouden. Een van de overwegingen voor de overheid om geld in het concern te steken, was het zogenoemd Daewoo Experience. Ervaring uit Korea leert dat 40 procent van de vraag permanent verdwijnt wanneer een autofabrikant op een faillissement afstevent, en van daaruit een doorstart maakt.

„Die klanten heeft GM dus weten te behouden, maar – en daar komt het marktverstorende effect in beeld – dat is zuur voor bijvoorbeeld de werknemers in Genk. Bij Ford in het Vlaamse Genk verliezen 4.300 mensen hun baan, met de werknemers van toeleveringsbedrijven gaat het om bijna 10.000 mensen. Zouden zij hun baan hebben kunnen behouden als de Amerikaanse overheid GM niet zou hebben gesteund?”

U bent gespecialiseerd in saneringen. Aan welke voorwaarden moet een bedrijf voldoen om tot de winnaars te horen?

„Bedrijven die succesvol saneren hebben bovenal het lef gehad hun bestaansrecht ter discussie te stellen. Hebben we wel de juiste veronderstellingen over de wereld om ons heen, en over de rol van onze onderneming daarin? Daarnaast zijn het ondernemingen die verder gaan dan simpel snijden in de kosten en het ontslaan van personeel, maar op volle snelheid inzetten op innovatie en nieuwe marktstrategieën. Winnaars zijn bedrijven die met onlogische oplossingen komen.”

De Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter introduceerde in de jaren veertig van de vorige eeuw het begrip ‘creatieve destructie’ – een proces van voortdurende innovatie, waarbij succesvolle toepassingen van nieuwe technieken de oude vernietigen. Volgens Schumpeter is technologische innovatie de enige werkelijke bron van groei.

„Schumpeter was ook een echte visionair op het terrein van de detailhandel”, zegt Adriaanse. „Hij voorspelde al in 1942 dat de traditionele winkel concurrentie zou krijgen van het mail-order house, lees de webshop.”

Permanente vernieuwing om het onheil af te wenden?

„Voor een ondernemer is creatieve destructie een bedreiging. Die moet hij steeds een stap voor zijn. Dan kun je niet op je lauweren rusten. Rond familiebedrijven hangt vaak de sfeer van rentmeesterschap, traditie en vooral niet voor de snelle winst gaan. In de huidige tijd is succes uit het verleden, echter vaak een ballast voor de toekomst. Deze tijd vraagt om assertieve ondernemers die radicale veranderingen durven door te voeren. Ik voorspel dat veel Hofleveranciers door behoudendheid in de problemen gaan komen. Dat klinkt als een provocatie, maar ik bedoel het in alle ernst.”

Want de Nederlandse ondernemer is niet assertief?

„De Nederlandse ondernemer is zelfgenoegzaam als je hem vergelijkt met bijvoorbeeld zijn Amerikaanse collega. In de VS is de concurrentiestrijd harder en zijn ze meer bezig met de toekomst. De Nederlandse ondernemer is vaak behoudender, minder kritisch.”

De rode draad in uw betoog is ‘een onderneming moet zich permanent vernieuwen’. Heeft u Nederlandse voorbeelden?

„DSM weet goed in te spelen op internationale ontwikkelingen en is al een paar keer getransformeerd. Ahold weet zich ook drastisch aan te passen. Constant op zoek naar nieuwe methoden om hun spullen te verkopen, de overname van bol.com is interessant. Ook TomTom is zichzelf aan het heruitvinden.”

En uit het buitenland?

„Dr. Dre – de vermaarde gangstarapper en producer uit Los Angeles. Met zijn bedrijf Beats Electronics heeft hij, ogenschijnlijk uit het niets, de wereldwijde headphone-markt binnen een paar jaar op zijn kop gezet. Zonder het te verklappen, hij zag iets dat anderen niet zagen; een Neue Kombination in de woorden van Schumpeter. Een sociaal-cultureel ei van Columbus, dat iedere speler in de elektronicabranche in die periode had moeten of kunnen zien aankomen. Dr. Dre zag het fenomeen, en niet alleen dat: hij handelde vervolgens ook. Hij kwam, zag en overwon. Een visionair ondernemer.”