Ragazzi!

Gaston Dorren: Taaltoerisme. Feiten en verhalen over 53 Europese talen. Scriptum, 175 blz. €16.

Het Retoromaans telt slechts 35.000 sprekers, maar zelfs die hebben al grote moeite om elkaar te verstaan. Want nergens is de middeleeuwse versplintering van het Latijn zo zichtbaar gebleven als in de Zwitserse dalen. In ieder dal spreken ze net anders en dan lopen de verschillen snel op. ‘Ik’ in het Retoromaans klinkt als ‘eu’, maar ook als ‘ja’. Tot voor kort werden de schoolboeken in vijf varianten uitgegeven.

Het is maar één van de vele verrassende feitjes in het heerlijke boek Taaltoerisme. Feiten en verhalen over 53 Europese talen. Zoals zoveel taalboeken is het vrolijk en licht geschreven, maar tegelijkertijd is het óók een prachtig overzicht van de talen van Europa, waarbij de taaljournalist Gaston Dorren van iedere taal telkens één aspect belicht. Erg didactisch, erg goed gedaan.

Het Litouws blijkt in de klankenrijkdom bijvoorbeeld het sterkst op het oer-Indo-Europees te lijken van alle talen. Wij zeggen ‘vier’, de Litouwers zeggen ‘keturi’ en zesduizend jaar geleden zeiden de eerste sprekers van de nu grote Indo-Europese taalgroep: *kwetwóres. Zelfs de zeven naamvallen lijken op die van het gereconstrueerde oer-Indo-Europees.

En van het Albanees vertelt Dorren – heerlijk larmoyant – hoe bijna niemand buiten Albanië in de geschiedenis van die taal geïnteresseerd is. Behalve de Duitse jood Norbert Jokl, die helaas door de nazi’s vermoord werd. Ook het nationalistische communistische regime dat Albanië lang teisterde, negeerde de taalgeschiedenis volkomen omdat de oude teksten vrijwel allemaal religieus zijn. Maar nu heeft gelukkig weer een Duitser belangstelling. Joachim Matzinger schrijft de ene studie na de andere. Zoals Dorren het noemt: de oude weduwe heeft weer een jonge minnaar.

Dorren schetst ook de waanzin van het Monegaskisch, een variant van het Ligurische dialect van het Italiaans, dat nog maar door honderd mensen wordt gesproken (en zelfs die spreken vooral Frans). Toch is de taal verplichte leerstof op alle scholen in het ministaatje Monaco.

Hij schrijft een liefdevol stukje over het Sorbisch, een Slavische taal die in een deel van het oude Oost-Duitsland wordt gesproken. De Sorben voelen zich niet serieus genomen, omdat het in tegenstelling tot vrijwel alle andere Slavische talen lidwoorden heeft. Dorren neemt het voor hen op: in die andere Slavische talen duiken in de spreektaal steeds meer ‘nep-lidwoorden’ op, zoals ‘één’ of ‘die’. Nog even en lidwoorden zijn weer helemaal hip.

Aan de hand van de zigeunertaal Romani (acht naamvallen) legt Dorren het ontstaan van naamvallen uit. De verschillende uitgangen zijn achterzetsels die geleidelijk aan de woorden zijn vastgegroeid.

En zijn boek bevat een handig determinatielijstje voor geschreven Europese talen. Een d met een streepje erdoorheen? Servo-Kroatisch. Een L met een streepje? Pools (of Sorbisch). Een taal zonder accenten of andere diakritische tekens? Engels. Een lange ij? Nederlands (maar het kán Lets zijn). Een dubbele z tussen twee klinkers? Italiaans natuurlijk. Ragazzi!

Het mooiste stukje is over Dorrens moedertaal: het Limburgs. Als kleuter zag hij het Nederlands niet als een andere taal, maar als ‘een andere manier van praten’, hij verstond het allemaal. Pas op school leerde hij dat er echt systeem in het Nederlands zat. En pas toen hij vreemde talen leerde, ontdekte hij dat er ook systeem in het Limburgs zat. Dat bijvoorbeeld de vervoeging van gaan (ich gaon en doe geis) terug te vinden is in die van slaan (ich slaon en doe sleis), enzovoorts. “Een tijdlang heb ik enigszins verbouwereerd door mijn eigen hoofd gedwaald – wat ik allemaal bleek te weten, zeg!”