Cultuur

Interview

Interview

Die Dreigroschenoper, ‘De driestuiversopera’, van Bertold Brecht en Kurt Weill.

© Orchester der Wiener Volksoper

Misdaad loont, ook voor Brecht

Aflevering 62: over het muziektheater van Brecht en Weill.

Er valt veel af te dingen op de reputatie van Bertolt Brecht (1898-1956). Hij werd altijd al gezien als een man die veel te danken had aan de toneelmakers, schrijvers en vooral de musici met wie hij samenwerkte. Maar sinds de biografie The Life and Lies of Bertolt Brecht van John Fuegi (1994) staat de pionier van het moderne theater te boek als een leugenaar, een oplichter en een artistieke vampier. Bijna al zijn beroemde toneelstukken blijken grotendeels geschreven door de vrouwen die hij om zich heen verzamelde (en successievelijk afdankte), en als hij al niet de credits van teksten en liedjes aan zichzelf toeschreef, eigende hij zich wel het leeuwendeel van de royalty’s toe.

En dat misdaad loont, blijkt uit het feit dat de namen van deze vrouwen – Elisabeth Hauptmann (auteur van de meeste van Brechts vroege ‘Lehrstücke’), Margarete Steffin (geestelijk moeder van onder meer Mutter Courage und ihre Kinder) en Ruth Berlau (op z’n minst co-auteur van Der gute Mensch von Sezuan en Der Kaukasische Kreidekreis) – in vergetelheid zijn geraakt, terwijl Brecht bekend is als vernieuwer van het toneel – lees: het ‘epische theater’ dat het publiek politiek bewust wil maken – en als theoreticus van de Verfremdung, die de toeschouwer door middel van zogeheten vervreemdingseffecten voortdurend duidelijk wil maken dat hij naar een toneelstuk zit te kijken.

‘Misdaad loont’ is ook de belangrijkste moraal van Brechts beroemdste stuk, Die Driegroschenoper, waarin de aartsmisdadiger Macheath, bijgenaamd Mackie Messer, wegkomt met diefstal en pathologische ontrouw. De tekst van de musical werd geschreven door Elisabeth Hauptmann, die zich baseerde op haar vertaling van een Engels toneelstuk uit 1728, The Beggar’s Opera van John Gay. De muziek was van de hand van de van oorsprong klassieke componist Kurt Weill (1900-1950), die eerder met Brecht had samengewerkt bij het ‘Mahagonny-Songspiel’ dat zou uitgroeien tot de satirische opera Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny (1930). Wat Brecht bijdroeg was volgens zijn biograaf niet meer dan de tekst van het openingslied, ‘Die Morität von Mackie Messer’. Niet slecht, met oneliners als ‘Und man siehet die im Lichte / Die im Dunkeln sieht man nicht’, maar eigenlijk niet genoeg voor de 65 procent royalty die Brecht wist te bedingen.

Die Dreigroschenoper, ‘De driestuiversopera’, ging in 1928 in première in het gloednieuwe Theater am Schiffbauerdamm in Berlijn en werd ondanks een paar zure recensies een groot succes. Toeschouwers hadden waardering voor de onverholen kritiek op het kapitalisme en voor de tegenwoordig weer hoogst actuele aanval op corrupte bankiers (‘Was ist der Einbruch in eine Bank gegen den Besitz einer Bank?’). Maar het was vooral de muziek die het stuk populair maakte. Kurt Weill, die had gestudeerd bij de klassieke operacomponist Ferruccio Busoni, verwerkte niet alleen jazzinvloeden en ketelmuziek in de 21 muzikale intermezzi, hij componeerde ook melodieën met eeuwigheidswaarde. Wie bij het horen van de ‘Barbarasong’ (‘Und wenn er Geld hat / und wenn er nett ist’) of ‘Seeräuberjenny’, de wraakfantasie van een vernederde serveerster die oorspronkelijk werd gespeeld door Lotte Lenya, geen rillingen over zijn rug krijgt, heeft een hart van steen. En dan bevatte Die Dreigroschenoper nog aansprekende frivoliteiten als de ‘Kanonensong’ (‘Da machen sie vielleicht daraus ihr Beefsteak Tartar’) en de ‘Ballade über die Frage: Wovon lebt der Mensch?’ (‘Erst kommt das Fressen / dann kommt die Moral’).

Brecht werd er binnen korte tijd miljonair mee, iets wat hem niet gelukt was met eerdere toneelstukken als Baal (1918, een expressionistisch drama over een losgeslagen dichter-moordenaar) en Im Dickicht der Städte (1924, over de ondergang van een familie in Chicago). Maar met de modernistische opera Mahagonny (1930) wisten hij en Weill het succes zelfs te overtreffen, iets wat ongetwijfeld voor een deel terug te voeren viel op de geweldige soundtrack, met een vlaggeschip als de ‘Alabama Song’, dat later onder meer gecoverd werd door The Doors en David Bowie. Mahagonny zou volle zalen trekken tot het in 1933 door de nazi’s verboden werd – het moment dat zowel de marxistische Brecht als de joodse Weill besloot om Duitsland te ontvluchten.

Als kopstukken van de Exil troffen Brecht en Weill – en zangeres Lotte Lenya – elkaar in Parijs voor het door Georges Balanchine gechoreografeerde ‘gezongen ballet’ Die sieben Todsünden (1933), voordat hun beider wegen scheidden. In Amerika, waar Weill in 1935 en Brecht in 1941 heenvluchtte, werkten ze nog één keer samen, aan misschien wel het allermooiste antioorlogslied dat ooit is gemaakt: ‘Was bekam des Soldaten Weib’. In zeven strofen wordt de opkomst en ondergang van de Duitse oorlogsmachine in de Tweede Wereldoorlog geschetst: de soldatenvrouw krijgt schoenen uit Praag, linnen uit Warschau, bont uit Oslo, een hoed uit Rotterdam, kant uit Brussel, een zijden jurk uit Parijs, een ketting uit Tripoli – om te eindigen met een weduwensluier uit Rusland.

Simpel en ontroerend georkestreerd door Weill – en later nog een keer diametraal anders door een andere muzikale kompaan van Brecht, Hanns Eisler – spreekt ‘The Ballad Of The Soldier’s Wife’, zoals het lied in de Engelse vertaling heet, al zeventig jaar tot de verbeelding. Onder anderen Gisela May, Hildegard Knef, Marianne Faithfull en P.J. Harvey zetten het op de plaat. En bij uitzondering is het een succes dat voor ten minste 50 procent op het conto van Bertolt Brecht te schrijven is.