Hollands blauw

Nederland is een echt jeansland. We hebben er zelfs een eigen woord voor: spijkerbroek. Het Centraal Museum in Utrecht opent vandaag de tentoonstelling ‘Blue Jeans’, die veel verschillende aspecten van de stof belicht.

Er is geen land waar per hoofd van de bevolking zoveel spijkerbroeken worden aangeschaft als Nederland: elk jaar kopen we er gemiddeld 1,82. Per broek geven we daar 41,20 euro aan uit. Dat is 8 euro minder dan de Italianen, die de duurste broeken kopen – maar die schaffen er maar 0,6 per jaar aan.

Het is niet de enige reden waarom Nederland is uitgegroeid tot een echt jeansland. In Amsterdam wordt ook veel jeans ontworpen. Nederlandse merken als G-Star en Denham zitten er, maar ook bijvoorbeeld de jeanslijn van Tommy Hilfiger. Dat het Amerikaanse Hilfiger hier zijn spijkerbroeken laat tekenen, heeft ongetwijfeld iets te maken met het gunstige belastingklimaat. Maar het kan ook niet helemaal los gezien worden van onze praktische, casual modecultuur. Blijkbaar doen we het zo goed, het dragen van spijkerbroeken, dat het inspirerend werkt.

Dat maakt het aan de ene kant volstrekt logisch een modetentoonstelling aan de spijkerbroek te wijden, maar aan de andere kant ook weer niet. Want wat tref je in het museum aan dat je niet al kent? Voor de geschiedenis, zou je denken, hoef je het ook niet te doen: merken als Levi’s en Lee brengen de laatste tijd voortdurend remakes van antieke modellen uit, en hun eigen historie – of zoals de merken het liever noemen: heritage of brand dna – wordt flink ingezet als marketingmiddel.

Toch is het het Centraal Museum in Utrecht gelukt iets bijzonders neer te zetten met ‘Blue Jeans’. Om te beginnen laat modeconservator Ninke Bloemberg de geschiedenis van de spijkerbroek nou eens niet beginnen met de Amerikaanse mijnwerkers van de negentiende eeuw. Aan het begin van de fraai vormgegeven expositie (die is opgebouwd op en rond een zeer lange, blauwe ‘weefmachine’) hangt een Italiaans schilderij uit de zeventiende eeuw. De afgebeelde vrouw, een bedelares, draagt een gescheurde schort van een stof die je tegenwoordig meteen zou aanduiden als jeansstof. Bloemberg laat ook twee poppen zien uit een achttiende eeuwse kerststal, ook uit Italië, met broeken van denim aan.

Het materiaal was er dus al lang voor de broek, die in de jaren vijftig zijn intrede deed in Nederland. Katoenen denim krijgt zijn karakteristieke uiterlijk doordat het wordt geweven van ecru en blauwe draden. Het moet niet worden verward met de stof die in de achttiende eeuw ‘Dutch jeans’ werd genoemd, en die helemaal werd gemaakt van donkerblauw garen. Uiteraard is wel iets te zien van de eerste Amerikaanse spijkerbroeken: bijna vergane stukjes broek, geflankeerd door remakes van antieke broeken.

Het Nederlandse straatbeeld speelt nauwelijks een rol bij de expositie. Er zijn drie fotoseries opgehangen van Ari Versluis & Ellie Uyttenbroek: de bekende met de Turkse dames in lange jeansjassen, en twee nieuwe, waaronder een met jonge meiden in sexy jeansshorts en colbertjes.

Veel meer aandacht is er voor bijzondere jeanscreaties: ontwerpen van huizen als Maison Martin Margiela, Chanel, Vivienne Westwood, Yves Saint Laurent en Jan Taminiau. De serie ‘The Flywood’ van G-star bestaat uit vijf spijkerbroeken met variaties op de bolle, los te knopen gulpen die we kennen van schilderijen uit de zestiende eeuw.

‘Blue Jeans’ is ook een goede kennismaking met de zogenaamde jeans-aficinado’s: mannen – en een enkele vrouw – die het liefst dikke Japanse denim dragen (voor wie het verschil wil voelen met ‘gewone’ spijkerstof hangen er lappen aan de muur) en hun jeans het liefst helemaal nooit wassen, zodat ze gaan slijten als die van de vroegere mijnwerkers. Vijf verstokte Nederlandse liefhebbers hebben hun favoriete broeken uitgeleend, en op een filmpje is te zien hoe de ontwerper achter het Amerikaanse Roy zijn broeken zo authentiek mogelijk maakt; hij gebruikt zelfs oude naaimachines.

Het is ook mogelijk een bijzondere broek te kopen in Utrecht. Jeansmaker Koen Tossijn heeft zijn atelier voor drie maanden verplaatst naar een van de museumzalen. Voor iets meer dan 400 euro maakt hij een geheel op maat gemaakte spijkerbroek van donkere Japanse denim in een model naar keuze. Net als bij haute couture wordt eerst een proefmodel gemaakt.

Het is te prijzen dat ‘Blue Jeans’ ook de minder vrolijke kant van jeans belicht. Een spijkerbroek is een van de meest milieubelastende kledingstukken die er zijn. Afgezien van het feit dat-ie van katoen is – er is tussen de 7.000 en 8.000 liter water nodig voor een katoenen broek – wordt er heel veel (tegenwoordig synthetische) kleurstof bij gebruikt. Veel broeken worden gezandstraald om ze ouder te laten lijken, wat stoflongen kan veroorzaken. Esthetische, maar schrijnende foto’s tonen hoe arbeiders uit Bangladesh zich met doeken tegen het fijnstof proberen te beschermen, en hoe een Chinese rivier blauw kleurt door de verf.

De expositie heeft ook voorbeelden van hoe het wel verantwoord kan: een spijkerbroek van G-Star van biologisch katoen en brandnetel, een jasje van gerecycled stof van Kuyichi, een broek, trui en sjaal van Youasme/Measyou die gebreid zijn van een garen van gerecyclede broeken.

Maar eigenlijk zou je de hele expositie kunnen lezen als een pleidooi voor wat meer duurzaamheid. De interessantste spijkerbroeken op de tentoonstelling zijn niet de broeken die, zoals tegenwoordig gebruikelijk is, in een fabriek ‘oud’ zijn gemaakt, maar de exemplaren die jaren zijn gedragen, en waarop de eigenaar zijn of haar hoogstpersoonlijke sporen heeft achtergelaten: slijtageplekken, een echte scheur, de bolling van een knie, een zelfgemaakt borduursel, een opgestikte lap die de levensduur moet verlengen.

Het kan best een beetje minder dan die 1,82 broeken per jaar.

Blue Jeans, 350 jaar jaar spijkergoed. Tot en met 10 maart 2013 in Centraal Museum, Utrecht. Zie voor openingstijden en workshops: centraalmuseum.nl