Ergste terrorist vond men de vrouw

Overdrijving over vrouwelijke terroristen staat symbool voor een samenleving die onzeker is over emancipatie, zo betoogt Beatrice de Graaf.

De Palestijnse Wafa Idris, ongedateerd. Idris pleegde op 27 januari 2002 een zelfmoordaanslag in Jeruzalem waarbij een man werd gedood en meer dan honderd mensen gewond raakten. Foto AFP

Hoewel Tanja Nijmeijer in Nederland en neonazi Beate Zschäpe in Duitsland de krantenpagina’s de afgelopen weken domineerden, is de gemiddelde terrorist tegenwoordig nog steeds een man. Hij draagt tulband, baard en bomgordel. Of het is juist een blanke lone wolve.

Cijfers bevestigen dat het meestal mannen in een leeftijd tussen achttien en dertig jaar zijn die naar de wapens grijpen, hoewel dat per werelddeel, periode en terroristische organisatie wel verschilt. Maar in de beeldvorming scoort een vrouwelijke terrorist beter. Hoe komt dat en wat heeft dat voor gevolgen voor de vrouw in kwestie en voor de effectiviteit van de terrorismebestrijding?

Vrouwelijk terrorisme is niet nieuw. Denk aan de Russische anarchiste Vera Zasoelitsj, die in 1878 een aanslag pleegde op Fjodor Trepov, de gouverneur van Sint-Petersburg. In de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw stonden de kranten vol verhalen over de vrouwen van de Rote Armee Fraktion, de Italiaanse Brigate Rosse, de Ierse separatisten of de Amerikaanse revolutionaire militanten. Ulrike Meinhof, Gudrun Ensslin, Bernardine Dohrn, Bernadette Devlin of Brigitte Mohnhaupt werden in bepaalde kringen revolutionaire stijliconen.

Binnen westerse links-revolutionaire organisaties in de jaren zeventig waren veel vrouwen actief. Maar ze hadden het er niet voor het zeggen. Vrouwen mochten meedoen, aanschuiven, maar vooral als collectief eigendom van de mannen, als recuperatiematras, als koerier en in enkele gevallen als icoon. Maar dat waren echt uitzonderingen.

Uit onderzoek van politicologe Margaret Gonzalez-Perez blijkt dat vrouwen vooral goed waren vertegenwoordigd in etnisch-nationalistische guerrillaorganisaties, omdat er hier ook voor hen wat te halen was en is. In de ETA of de IRA spelen familieverbanden een grote rol, net als bij de maffia. Vrouwen beheren er de relaties: zij motiveren, beïnvloeden, manipuleren, houden het netwerk bijeen, stimuleren de rolpatronen van mannelijke geweldenaars en oefenen sociale druk uit op hun medelotgenoten om de familie niet in de steek te laten.

Ook in jihadistische organisaties waren en zijn vrouwen actief, hoewel ze daar weinig ruimte krijgen. Een vrouw in de organisatie, als leidinggevende persoon, als organisator, inspirator of zelfs als zichtbare uitvoerder, zou een blamage zijn voor een rechtgeaarde jihadist. Het zou betekenen dat er niet genoeg dappere en capabele mannen beschikbaar waren. Daarom zijn vrouwen niet actief als leider, als sjeik of als boegbeeld, maar als persoon op de achtergrond. Osama bin Laden werd bij zijn arrestatie en executie op 2 mei 2011 in gezelschap van zijn vrouwen aangetroffen. Vrouwen fungeren als foerageur, informatiebron, logistiek medewerker, of als wapen. Abu Musab al-Zarqawi was de eerste Al-Qaeda-leider die in 2003 overging tot het inzetten van zelfmoordterroristes.

Voor die toegenomen rol van vrouwen binnen jihadistische netwerken na 2003 bestaat een simpele verklaring. Ze zijn ‘goedkoper’. Vrouwen worden minder gecontroleerd en gefouilleerd, zodat terroristische organisaties veel minder tijd en geld in hun training hoeven te stoppen. En in de patriarchale cultuur van het Midden-Oosten zijn ze minder waard dan mannen en kunnen ze beter ‘opgeofferd’ worden. Zeker wanneer het ongehuwde of onhuwbare dochters betreft, of vrouwen wier man is omgekomen en die als weduwe minder status hebben.

Ook als zelfmoordterroriste blijven vrouwen dan meestal een instrument, een wapen, in handen van organisaties of netwerken die vrijwel uitsluitend door mannen worden geleid. Het meest barbaarse voorbeeld zijn de vele Tsjetsjeense vrouwen die als lopende handgranaten door hun commandanten werden ingezet. Verkracht, vernederd en geïndoctrineerd werden zij beroofd van hun eigen wil. Ingepakt in explosieven werden ze op pad gestuurd, waarbij de afstandsbediening te allen tijde in de handen van hun gebieder bleef.

Waarom is er dan toch zo veel aandacht voor vrouwelijke terroristen, als hun rol uiteindelijk ondergeschikt is en ze nog steeds de uitzondering vormen? Sterker nog, waarom schiet bij vrouwen die beeldvorming er altijd zo gigantisch overheen of onderdoor? Uit mijn onderzoek blijkt dat vrouwen eigenlijk altijd bij terrorisme in twee categorieën worden ingedeeld: ófwel ze worden als veel te gevaarlijk afgeschilderd, als meedogenloze furies en kenaus, ófwel hun rol wordt gebagatelliseerd en de vrouw in kwestie wordt als naïef, misleid of verleid afgebeeld.

In 1991 verscheen een berucht boek van de Ierse journalist Eileen MacDonald met als titel Shoot the Women First. Waarom? Omdat die het gevaarlijkst waren. Vrouwen, zo luidde het cliché dat veelal opduikt in interviews die ik voerde met terrorismebestrijders, politieagenten of tijdgenoten, hadden immers een grens overschreden. Op het moment dat zij de rol van moeder, echtgenote of huisvrouw afwierpen en zich geheel door woeste emoties lieten leiden, waren zij niet meer voor rede vatbaar. Dan waren zij meedogenloos in hun terroristische furie, hysterisch in hun haat tegen het establishment en genadeloos in het afslachten van hun slachtoffers. Ook de West-Duitse terrorismebestrijders zagen de vele vrouwen in de RAF als een ‘exces van het feminisme’. Door de invoering van de pil, aldus een Duitse veiligheidsfunctionaris in de jaren zeventig, had seksualiteit zijn prikkel verloren. En daardoor waren al die vrouwen nu op zoek naar een nieuwe ‘kick’. Dat verklaart ook de hysterische achtervolging van Ulrike Meinhof, die toen ze in 1970 bij de oprichting van de RAF meehielp nog geen pistoolschot had gelost, maar toch als enige een prijs van 10.000 West-Duitse marken op haar hoofd kreeg, terwijl Andreas Baader de drijvende kracht was.

Waarom is die overtrokken beeldvorming van vrouwelijke terroristen nu zo schadelijk? Omdat negatieve stereotypering van een militante vrouw, als gevaarlijk of zelfs als publieksvijand nummer één, haar speelruimte verkleint om te deradicaliseren en uit haar desbetreffende groep of organisatie te stappen of eruit gehaald te worden.

Een goed voorbeeld is Tanja Nijmeijer. Zij werd niet zozeer als ‘gevaarlijke vrouw’ neergezet, maar aanvankelijk, in 2007, eerder als het rebelse buurmeisje. In zowel binnen- als buitenland ging het niet om Tanja’s capaciteit als bommenlegster, maar om de verbazing over wat haar bezielde om als Cinderella in revolutieland op pad te gaan. Desalniettemin, la guerrillera holandesa is icoon van de gewapende strijd in de jungle geworden. Ze werd als lipstick-amazone neergezet en droeg daar zelf haar steentje aan bij door junglekitsch uit te venten (de kleding, het topje, het sentimentele musicallied voor haar moeder). Dat beeld is echter een gouden kooi geworden. De FARC heeft met Tanja een internationaal propagandakanon in dienst waardoor het voor haar nauwelijks meer mogelijk is om te deradicaliseren, als ze dat al zou willen.

Ook de Russische reacties op de vrouwelijke zelfmoordterroriste Zarema Moezachojeva die eropuit werd gestuurd om zich op te blazen om de eer van de familie te redden, waren funest met het oog op effectieve terrorismebestrijding. Zarema blies zich namelijk niet op maar gaf zich bij de autoriteiten aan, waarna ze alsnog als monster werd afgeschilderd en tot twintig jaar tuchthuis werd veroordeeld, hoewel ze volop had meegewerkt met de Russische autoriteiten en haar medestrijders had aangegeven. Zarema moest boeten, niet voor haar individuele daden, maar als het gezicht van het Tsjetsjeense terrorisme en voor de angst van de Russische samenleving.

Stereotypering van ‘gevaarlijke vrouwen’ gaat meestal niet over de onveiligheid die die individuele vrouwen veroorzaakten, maar over de angst en onzekerheid die ze triggeren. Hoe onzeker is een samenleving over rolpatronen en de emancipatie van vrouwen? De angst voor linkse guerrillera’s in de jaren zeventig was een uitvergroting van de reeds bestaande politieke polarisatie tussen links en rechts. Rechtse conservatieve en chauvinistische politici, commentatoren of gezagsdragers wezen maar al te graag naar vrouwelijke activistes, om aan te geven waar het heen ging met het land als links de macht kreeg.

Dat was in de jaren zeventig in Nederland niet zozeer een probleem, maar in Italië, Duitsland en de Verenigde Staten wel. In dat gepolariseerde klimaat konden politieagenten en terrorismebestrijders het gevoel krijgen dat ze zich door geen enkele juridische of ethische belemmering hoefden te laten leiden en dat in de strijd tegen vrouwelijke terroristes alles geoorloofd was. In de angst en publieke onrust van die jaren schoten Duitse, Italiaanse en Britse politieagenten tientallen vrouwelijke terrorismeverdachten dood (zonder dat die een wapen droegen). Van zelfverdediging was in dat geval weinig sprake. Tot juridische maatregelen leidden al die executies of ongelukkige schietincidenten niet.

Ook in het onderschatten of bagatelliseren van militante vrouwen schuilt gevaar. Uit de verhalen van Tanja Nijmeijer, Malika el Aroud en Beate Zschäpe bleek juist dat zij door de media te veel als naïeve meisjes werden gepresenteerd, of helemaal niet werden waargenomen, terwijl ze wel degelijk aan het radicaliseren waren. De rol van vrouwen als aandrijver van radicalisering bleef te lang buiten het gezichtsveld van de diensten én van de samenleving omdat men het zich eenvoudigweg niet kon voorstellen. De focus lag nog te veel op de mannen.

Daarmee is de beeldvorming over gevaarlijke vrouwen tot op zekere hoogte een seismograaf van onze eigen onzekerheden. Beeldvorming is een korset waarin niet alleen de vrouw in kwestie, maar ook de samenleving en de terrorismebestrijders zitten vastgesnoerd. Alle briefings en keurige profileringen ten spijt zijn die terrorismebestrijders, of het nu politieagenten of Special Forces zijn, ook kinderen van hun tijd, en dus gevoelig voor de geboden stereotypes. Meer speelruimte ontstaat door beeldvorming zo genuanceerd en werkelijkheidsgetrouw mogelijk te houden.

Was de Molukse treinkaapster Hansina Uktolseja gedood als ze als meeloper was afgebeeld in plaats van als verbeten verloofde? Had het uitgemaakt als Meinhof niet als ontaarde moeder en publieksvijand nummer één in het nieuws was gekomen en op de billboards terecht was gekomen? Hadden de inlichtingendiensten Beate Zschäpe sneller in het oog gekregen als ze zich hadden opengesteld voor de optie dat vrouwen óók in rechts-extremistische kringen carrière aan het maken waren?

Het ligt uiteindelijk aan de vrouw hoe ze haar speelruimte gebruikt, welke keuzes ze maakt. Maar het aanbod aan alternatieve routes, aan exitstrategieën en ruimte om eruit te stappen en te reïntegreren is een zaak die ook de samenleving aangaat en waarbij beeldvorming een nog onderschatte rol speelt.

Beatrice de Graaf is hoogleraar conflict en veiligheid in historisch perspectief aan de Universiteit Leiden. Dit is een voorpublicatie uit haar boek Gevaarlijke vrouwen; tien militante vrouwen in het vizier dat vandaag uitkomt.