BRIEVEN

Intelligentie

Wie is er intelligenter, onze voorouders of wij? (‘Vroeger waren we intelligenter, toch?’, wetenschapspagina, 19 november). Zo gesteld is dit een onzinnige vraag. De mens heeft geleerd zich in allerlei milieus te handhaven. Het zich handhaven in een oerwoud stelt wellicht hogere eisen aan het brein dan handhaving in een laboratorium – in elk geval andere eisen. Het brein ontwikkelt zich in elke situatie in wisselwerking met zijn omgeving. En dan geldt: use it or lose it.

Laboratoriumonderzoek aan ratten laat hetzelfde zien: dieren die in een zogenaamde verrijkte omgeving opgroeien, blijken grotere hersenen te krijgen dan dieren die in een verarmde (prikkelarme) omgeving opgroeien. Dit gaat ook op voor de mens, voor zijn genoom. Ook onze genetische uitrusting heeft vorm gekregen in wisselwerking met het milieu zij het veelal op meer indirecte wijze. Intelligentie zou ik dan ook vooralsnog willen omschrijven als de vaardigheid om op signalen uit het milieu te reageren.

J.L. Dubbeldam

Emeritus hoogleraar ethologische morfologie, Universiteit Leiden

Slacht

In haar column ‘Aardbei = rood, lekker, zomer’ (Wetenschapsbijlage, 17&18 november) schrijft Nicoline van der Sijs over ‘slacht’ in de betekenis van ‘lijkt op’. Deze betekenis noemt u totaal verouderd. Ik heb deze betekenis in de vijftiger jaren zeer vaak horen gebruiken door mijn grootouders. Als ik als kind over mijn jongere zusje zei dat ze eigenwijs was zei mijn oma snuivend: “Slacht jou wat”. Als gevolg hiervan gebruikte mijn moeder later de uitdrukking ook, en ook ikzelf heb mij er wel eens schuldig aan gemaakt (“na de overgang was ik een stuk dikker”/ “slacht mij wat!”). Weliswaar ben ik inmiddels 71, dus ook zwaar verouderd, maar in onze familie is de betekenis dus in leven gehouden.

Nel van den Brink

Via e-mail

Talen

In ‘Eén klein land, ruim honderd talen’ (Wetenschap, 17&18 november) worden vraagtekens bij de exacte aantallen van talenencyclopedie Ethnologue. Als Nederland volgens Ethnologue 13 talen telt, hoe serieus moeten we de 841 vermelde talen van Papoea Nieuw Guinea dan nemen? Zo’n vraag is misleidend, want de vergelijking van Nederlands betrekkelijke uniformiteit met Papoea Nieuw Guinea is er een van appels en sago.

Het zijn juist subtiele grammaticale verschillen die voor doorbraken zorgen in de taalwetenschap. Bijvoorbeeld, de Highlands van Papoea Nieuw Guinea, een gebied iets kleiner dan Nederland met minder dan een tiende van het aantal inwoners heeft volgens Ethnologue meer dan 70 verschillende talen. Veel daarvan zijn nog niet beschreven maar we weten dat sommige een grammaticale categorie bezitten die zoiets uitdrukt als ‘mate van gedeelde kennis’. In het ene dorp is er een scala aan woordstukjes die betekenissen hebben als ‘ik weet dat jij X niet/wel/pas net/al jaren weet’, verderop heeft men genoeg aan een verbuiging voor ‘dit weet je al/nog niet’ en achter de volgende bergtop werkt het systeem weer helemaal anders.

Door de verschillende systemen in Papoea Nieuw Guinea met elkaar en andere talen te vergelijken, leren we wat er mogelijk is in taal.

De getallen van Ethnologue zijn niet exact en dat hoeft niemand te verbazen. Andere lijsten zoals die van UNESCO laten zien dat Ethnologue er niet heel ver vanaf zit. Bovendien is de ambitie van Ethnologue om alle talen, levend en dood, van een code te voorzien en dus bevat de lijst ook Oudkerkslavisch (chu), Soemerisch (sux), Sanskriet (san), Interlingua (ina) en Klingon (tlh). Dan is 6.909 ineens een betrekkelijk conservatieve schatting.

Stef Spronck

The Australian National University, Canberra, Australië

Onvrije wil

Daniel Dennett is een compatibilist, dat is iemand die meent dat hersenprocessen deterministisch zijn, maar dat er toch sprake is van een vrije wil. Dat een briljant denker als hij in de valkuil stapt van deze vorm van ‘confirmation bias’ geeft wel aan hoe moeilijk het is, ook voor (vooraanstaande) filosofen, om te aanvaarden dat het begrip “vrije” (wil) moet worden opgegeven. Of onze wil vrij is of niet is voor compatibilisten een woordspel waarin overtuiging de doorslag geeft, en niet de feitelijkheid van de werking van ons brein. Zo wordt filosofie luchtfietserij.

In het interview ‘Kijk, 200 miljard termieten in het brein van Gaudí’ (Wetenschapsbijlage, 17 & 18 november) zegt hij: “Vrije wil is geen keuzes maken zonder oorzaak”. Dit zou impliceren dat incompatibilisten dit denken, maar daar is geen sprake van. Keuzen maken gaat niet zonder oorzaak, keuzen maken is onvrije wil. Keuzen maken zonder oorzaak bestaat niet en is dus inderdaad geen vrije wil; maar op een andere manier dan Dennett stelt.

Uit het deel van het interview over de vrije wil wordt verder duidelijk dat Dennett, zoals meer filosofen en leken, de eigen wil, de mogelijkheid om keuzes te maken, verwart met de vrije wil. Ook de in het interview genoemde morele competentie is afhankelijk van onze genetische en verworven inzichten en is dus onvrij.

Het lijkt mij dat de door Dennett verfoeide hersenwetenschappers Swaab en Lamme, maar ook veel oorspronkelijke denkers uit de VS, hebben laten zien dat de door hem gewenste vrijheid van de wil niet bestaat. Dat we er in ons leven en in de rechtspraak van uitgaan is een andere kwestie. Een kwestie die nog wel wat discussie vereist, zolang het inzicht in de werking van ons brein zo weinigen lijkt te hebben bereikt. Geldt dat ook voor Daniel Dennett?

Hans van den Berg

Bioloog, Vleuten