Zonder gevang is het dorp leeg

De gevangenissen van Veenhuizen dreigen te worden gesloten. Daarmee wordt dit bijzondere, historische dorp in één klap kapotgemaakt, betoogt Mariët Meester.

Laatst fietste ik door het Drentse gevangenisdorp Veenhuizen. In de verte zag ik een vrouw dwalen. Toen ik dichterbij kwam, draaide ze zich om en hield me aan. „Ik zoek de Meidoornlaan nummer 38”, zei ze in gebroken Nederlands. „Ik ben te laat, het is al twee uur, ik mag maar één uur blijven.” Natuurlijk antwoordde ik dat ze maar achterop moest springen, en terwijl zij op de bagagedrager zat, met één been aan iedere kant, zette ik het op een racen. Om kwart over twee kon ik de vrouw afzetten voor het hoge hek van de gevangenis Esserheem.

Dit soort scènes vind je normaal als je – zoals ik – bent opgegroeid in Veenhuizen. Tijdens mijn jeugd was het dorp verboden voor buitenstaanders, geüniformeerde bewakers patrouilleerden dag en nacht. De duizend inwoners en de duizend gedetineerden leefden in een zekere symbiose. Gedetineerden maaiden je gras, lapten je ramen en zaten met je in de kerk. En nog steeds werken sommige gedetineerden aan het eind van hun straf in het openbare groen, je kunt ze zien rondlopen achter een kruiwagen.

Dat ik opnieuw door het decor van mijn jeugd fietste, had te maken met een boek dat ik wilde schrijven over het leven in Veenhuizen in de twintigste eeuw. Om mijn onderzoek te vergemakkelijken woonde ik tijdelijk opnieuw in het dorp. Vanaf 1823 werden er duizenden verschoppelingen en landlopers opgesloten in carrévormige gestichten, Suzanna Jansen heeft er mooi over geschreven in Het pauperparadijs. In de twintigste eeuw zijn de gestichten in strafgevangenissen veranderd. Vanaf 1983 mogen er in Veenhuizen ook mensen wonen die er niet werken, maar nog steeds is een groot aantal inwoners betrokken bij de drie Penitentiaire Inrichtingen die er staan. Sinds 2005 heeft het dorp ook een Nationaal Gevangenismuseum, dat al snel het predicaat ‘beste historische museum van Nederland’ kreeg. De bezoekers kunnen een rondrit maken in een oude justitiebus, dezelfde waarin ik als kleuter zo vaak heb gezeten. Want ook dat was typisch Veenhuizen: ons terrein besloeg drieduizend hectare, de afstanden waren enorm, wat was er logischer dan de kinderen van justitiemedewerkers naar school te brengen in dezelfde bussen waarmee de veroordeelde criminelen werden getransporteerd?

Dit bijzondere dorp, waarvan er maar één in Nederland is, wordt nu kapotgemaakt. Er is dinsdag een rapport uitgelekt waaruit blijkt dat de landelijke overheid van plan is om in één klap alle drie de Penitentiaire Inrichtingen van Veenhuizen te sluiten. In totaal werken er 750 mensen, van wie een aantal in het dorp woont en de rest in een straal van vijfentwintig kilometer eromheen. De gevolgen zijn dezelfde als op andere plekken waar de bevolking van één werkgever afhankelijk is: sommige mensen zullen in een uitkering belanden en anderen trekken weg, waardoor de huizenprijzen zakken.

Maar in Veenhuizen gaat het het allemaal nog verder. Vijftien jaar geleden zag nog niemand iets bijzonders in het hele complex. Historische panden stonden leeg, er kwamen krakers op af, het was een treurige toestand. Gelukkig begonnen verschillende mensen te begrijpen dat de verkrotting doodzonde was, links en rechts werd naar fondsen gezocht. Dat heeft tot resultaat gehad dat er de afgelopen jaren voor maar liefst 60 miljoen euro in het dorp is geïnvesteerd. Veenhuizen heeft zelfs de voorlopige Werelderfgoedlijst gehaald, in 2018 wordt duidelijk of een definitieve plaatsing erin zit.

En nee, die zit er nu niet meer in. Zonder gevangenissen verdwijnt ook het mysterie van Veenhuizen. Als ik lezingen geef, spreek ik regelmatig mensen die er zijn geweest, en iedereen is onder de indruk. Huiverend vertelde een vrouw dat ze nooit had beseft wat het betekent om te worden opgesloten. Want dat gebeurt er met je zodra je de kassa van het Gevangenismuseum bent gepasseerd: plotseling gaat er een hek achter je dicht en zit je vast in een kleine ruimte waaruit je met geen mogelijkheid kunt ontsnappen. Anderen vertellen me met grote ogen dat ze niet wisten dat je in Veenhuizen de huidige praktijk van het gevangeniswezen van zo dichtbij kunt meemaken. Je ziet er de ongenaakbare oude gevangenissen van heel dichtbij, compleet met de hekwerken rondom, de bewakingscamera’s, de grimmige borden waaruit blijkt dat wapens hier verboden zijn. Zo’n gebouw is warempel geen hotel, realiseer je je. Het laatste wat je wilt, is er ooit terecht te komen. Degenen die er vastzitten hebben anderen groot lijden aangedaan, en als vergelding lijden ze nu zelf.

Veenhuizen is dus niet alleen een dorp met één grote werkgever, Veenhuizen is ook cultuur, een leerzame, fascinerende plek waar een stelsel van gebouwen een levende, doorgaande traditie van strafrechttoepassing illustreert. Zonder gevangenissen is Veenhuizen leeg, stil en dood. De kans om hedendaagse detentie van dichtbij te ervaren wordt de Nederlandse bevolking dan achteloos ontnomen.

Mariët Meester is schrijfster. Onlangs verscheen haar boek ‘Koloniekak. Leven in een gevangenisdorp’ (2012).