Zonder fietszadel het Oeralgebergte over

Jan Paul Schutten en Kees de Boer: Is dat alles? Gottmer, 32 blz. € 13,95 4+ ****

Na de eerste bladzijden weet je het al: Is dat alles? gaat over overdrijven en opscheppen in de overtreffende trap. Dirk heeft drie opa’s en die wonen in één huis, daar begint het al mee. Ze heten Diederik, Roderik en Balderik. Ze vinden dat hun kleinzoon verguld moet zijn met de fiets die ze voor hem in elkaar hebben gezet. Want waar zíj het als jongens mee moesten doen: een fiets met lekke banden, een fiets met houten wielen en zonder zadel, zelfs een fiets die bestond uit ’één roestig vierkanten houten wiel’.

En daarna begint het grote tegen elkaar opbieden pas goed op gang te komen. Bergen moest Diederik over, om naar school te gaan. De school van Roderik stond op de hoogste berg van het land, met ‘dertien maanden per jaar sneeuw. Als we geluk hadden, want meestal lag het er nog veel langer’. De school van Balderik stond ‘op de top van het Oeralgebergte’.

Zo gaat het door, bladzij na bladzij. Een jungle moest de ene opa door, de ander werd belaagd door struikrovers en zeerovers, weer een ander trof op weg naar school het Tataarse leger, dat hij te lijf moest met ‘een opgerolde Donald Duck’. Ziektes hadden ze, 46 graden koorts en gebroken ledematen, maar naar school gingen ze. ‘Jullie kinderen van tegenwoordig hebben een luizenleventje vergeleken bij ons vroeger,’ zegt opa Diederik.

Jan Paul Schutten schrijft in korte, heldere zinnen en zijn toon is grappig. Maar als Is dat alles? alleen uit tekst had bestaan, zouden al die overdrijvingen een maniertje zijn dat gaat vervelen. Bij de tekst staan echter veel stripachtige tekeningen van Kees de Boer en in die combinatie is de opschepperij grappig en absurd.

De jonge Diederik die op een fietsvork naar school hopt, de jonge Balderik die met een houten zwaardje zeerovers en een zee vol haaien trotseert, zijn heerlijk. En het slot mag er wezen: als kleinzoon Dirk zijn eigen zeer avontuurlijke weg naar school aflegt en bij aankomst nog slechts een stuur en een wiel van zijn fiets resteren. Of beter, indachtig de barre jeugd van zijn opa’s: ‘Ik weet het, ik weet het,’ zegt hij. ‘Ik bof maar.’

    • Simone van Driel