Mieren snorkelen rond

Tomas Lieske Foto Vincent Mentzel

Smaak is een ergerlijk fenomeen. En dan zwijg ik nog over ‘goede’ smaak, dat uit louter vooroordelen bestaat. Maar hoe vrij is een recensent van vooringenomenheid? In alle gevallen dat ik hier kritisch was, werd die kritiek ingegeven door de teleurstelling dat een dichter niet vanuit het middenrif schreef, maar cerebrale kunst vertoonde.

Hoe verfrissend is het dan als het literaire tuftonkleed onder je voeten wordt weggetrokken en je definities geen grond meer raken. Dat overkwam mij bij lezing van Haar nijlpaard optillen, de zesde dichtbundel van Tomas Lieske. De poëzie in die bundel toont zeker verwantschap met Lieskes eerdere dichtwerk, maar toch is het alsof ik een heel nieuwe dichter lees. De dichter kijkt nog altijd analyserend zijn ogen uit en richt zich daarbij als vanouds op het fantoomkarakter van wat ons omringt. Maar de taal lijkt soms zo ver van het alledaagse losgezongen dat veel verzen zich als een rite laten beleven.

Dit geldt vooral voor de gedichten in de eerste afdeling van de bundel. ‘Geesten’ heet die, en de gedichten daarin gaan ook over etherische verschijningen en ervaringen. Daarna volgen twaalf gedichten in de afdeling ‘Magdalena. Shakespeare’. Ook daarin is niets wat het lijkt. Typerend is de eerste regel van het gedicht ‘Op het toneel’. Die luidt: ‘Hij staat op het toneel verliefd te zijn en is het niet.’ Schijnbaar terloops komen in deze afdeling ook Bach en zijn cantate ‘Herz und Mund und Tat und Leben’ voorbij.

En ook Bachs overwegingen lijken bouwstof voor een credo. ‘Hij zag,’ noteert de dichter over de componist, ‘de raadsels en de wonderen en wist / dat er hogere wetten waren die al dat vreemds verklaarden. / Hij wist dat hij te kort zou schieten als hij niet / in het onmogelijke zou geloven.’

‘Nacht. Polder’ heet de derde afdeling. Zelden heb ik polders zo beeldend als spookgrond beschreven zien worden. De engelen uit de eerste afdeling en de theaterspelers uit de tweede krijgen hier gezelschap van de turfsteker. Dat gebeurt in wat misschien wel het mooiste gedicht van de bundel is, ‘Weipoort’:

Al eeuwen komt iedere nacht de turfsteker.

Bedachtzaam, met planken

onder zijn voeten, leunend op een onmetelijke

spa sopt hij over de natte aarde. Met elke pas

zuigt hij met vet geluid zijn platte

houten voet uit het gras.

Weipoortnacht.

Achter de boerderij het hoge wateroppervlak

voor het gebouw stroomt alles lager, zelfs van water

verheft de bezoeker het niveau; hij maant

de sloot tot vaart en laat de spiegel stijgen.

Hij laat het water verrijzen. Vissen slaan

hun staart uit hun trimvest en mieren

snorkelen met zwemvliezen rond. Een grutto

schrikt in zijn slaap, vliegt op en begint zich

aan te prijzen.

Nacht in Weipoort

en achter hagen en kanten hopen wij

dat de turfsteker ons aandoet, ons

verheft uit onze lage dromen en gedachten

onze slaap vermoordt, de witte wijven

op de wereld dansen laat, ons leven

stuurt, verbijzondert, met kracht

van wet water uit onze trotse

bodem slaat.

Weipoort is een Zuid-Hollandse buurtschap in de gemeente Zoeterwoude. De polder daar is nog ongerept. Neem Lieskes ogen mee als u er kijken gaat.

‘Weipoort’ is wel een van de mooiste verzen uit de bundel, maar tegelijkertijd ook het minst kenmerkende als we het idioom van Lieske onder de loep nemen. Dat idioom is vaak woorddol. Lees bijvoorbeeld het derde couplet van ‘De polder Waterloos’. Lieske laat daarin alle remmen los: ‘Woedend ook woedt / een geografische prestigeoorlog / in zijn kop. Met blikken helmen en zwaarden / laveren reigers über. Zij stuiven luguber / labeur in de polder en commanderen de grassen als knives / vlijmscherp en bowie bowie rechtop te staan. Simultaan / verschijnen hem girls met dravik en poelruit.’ De dichter zelf lijkt er van te schrikken, want de slotregels ademen louter verstilling. “Doodstil, zonder beweging is de polder Waterloos; / een leeuwerik bidt onhoorbaar fluit.’

In dit gedicht is de betekenis nog wel te volgen. De taalmix laat zich makkelijk ontleden. Maar wat zijn kopijningen, groffies en tatewalers? En wat gebeurt als een roze-blauwe wulk zich bulot droomt? In zijn ‘Aantekeningen’ verklaart Lieske het woord ‘groffies’. In de gemeente Kaag en Braassem is dat een normaal woord voor augurken. Naar de rest moeten we raden. Zou het Haags dialect zijn, of heeft Lieske een woordenboek dat ik mis?

‘Wulk’ is een van de gedichten in de vierde en laatste afdeling, ‘Dirty’. Ook daarin staan een paar juweeltjes, al zijn het wel bloemen van het kwaad. Hoogtepunt is ‘Meisje van acht verkracht door de huisvriend’. Het eerste couplet treft als een giftige pijl:

Hij heeft het kind de danspassen geleerd

De paso doble zodat zij omgekeerd

in zijn armen kam te hangen

en zo overvol barstte haar eierschaal

een barst die als een bliksem haar jurk

uit schoot, even zijn ogen trof, een haakse hoek

om sloeg en alles volkomen uit het lood.

Daarna is er geen ontkomen meer aan. En dat gebeurt in meer verzen uit Haar nijlpaard optillen. Lieske trekt je uit het lood.