Lady Olga

Dankzij Diane Arbus, over wie ik hier vorige week schreef, kwam ik opeens weer bij Joseph Mitchell (1908-1996) terecht, een van de beste journalisten die Amerika heeft voortgebracht. Ze blijken elkaar goed gekend te hebben.

Dat is niet zó vreemd omdat zij één ongeneeslijke fascinatie deelden: die voor de freak, de excentriekeling. De meeste mensen, zei Arbus tegen Mitchell, zijn hun hele leven bang dat ze een trauma oplopen, maar freaks worden ermee geboren – zij hebben hun vuurproef al doorstaan, ze zijn aristocraten.

Mitchell schreef voor The New Yorker indringende portretten van onder meer tweederangs artiesten, zigeuners, barkeepers en zwervers. Befaamd werd hij met zijn verhalen over Joe Gould, een zwerver van goede komaf die altijd beweerde dat hij bezig was aan een boek over zijn straatleven dat hem onsterfelijk zou maken.

Na jaren groeide bij Mitchell de overtuiging dat er helemaal geen boek wás. Hij confronteerde Gould ermee: „Het zal wel in uw hoofd bestaan, maar u bent altijd te lui geweest om het op te schrijven.” Het enige wat Gould erover wilde zeggen was: „Het is geen kwestie van luiheid.”

De ironie, die altijd iets vervelends van ons wil, wilde vervolgens dat ook Mitchell zelf de laatste dertig (!) jaar van zijn leven getroffen werd door een writer’s block. Elke dag toog hij tevergeefs naar zijn kantoortje bij The New Yorker. Enkele jaren voor zijn dood zei hij tegen een journalist: „Je kiest iemand uit die zo dicht bij je staat dat je in feite over jezelf schrijft (...) Door al die jaren met Joe Gould te praten werd hij in zekere zin mijzelf.”

Arbus heeft Mitchell nog in goeden doen meegemaakt. Ze las zijn stukken en belde hem in november 1960 op. Ze bleven twee uur praten. Mitchell zei later tegen Arbus’ biografe Patricia Bosworth: „Ze klonk als een klein meisje. Haar gedachten – vaak uitzonderlijk gecultiveerd en erudiet – waren, vergeef me de uitdrukking, freakachtig.” Mitchell voelde zich overtroffen.

Ze wilde alles weten over de figuren die Mitchell in zijn artikelen had beschreven; ze wilde hen fotograferen. Een van hen was Lady Olga, de dame met de baard. Leefde ze nog? Mitchell wist het niet.

Ik heb zijn verhaal uit 1940 over haar, opgenomen in zijn verzamelbundel Up In The Old Hotel, erop nageslagen. Het is een genre journalistiek dat nauwelijks meer bestaat. Welk blad wil nog 7.500 woorden afdrukken over een nietige kermisattractie? Want verder had Lady Olga het nooit gebracht.

Mitchell werd door haar gefascineerd, omdat ze onder de dames met baard de enige echte vrouw was – de anderen waren verklede mannen. Ze had bovendien niet alleen een baard, maar ook bakkebaarden en een neerhangende snor. Jane Barnell, zoals ze heette, was in 1871 in North Carolina geboren. Al bij haar geboorte waren haar kin en wangen bedekt met dons. Ze was nog geen twee jaar toen ze al een baard had. Haar moeder dacht dat ze behekst was en verkocht haar aan een rondreizend circus toen ze vier was.

Toen Mitchell haar ontmoette, was ze voor de vierde keer getrouwd. Ze verdiende nog steeds – met grote weerzin – de kost met optredens in circussen en zaaltjes. Ze kon, leunend op het kozijn, urenlang uit het raam van haar flatje in New York staren. De mensen die haar zagen, zouden denken dat ze een oude man met een grijze baard was, schreef Mitchell.

Diane Arbus heeft haar niet gevonden. Ze was gestorven.