Laat de gemeente 't maar doen

De gemeente werkt efficiënt en goedkoop. Met die idee stoot het Rijk steeds meer taken af. Maar gemeenten kunnen niet eindeloos meer doen voor minder geld.

Decentraliseren is een toverwoord. Met grote regelmaat hevelt de Rijksoverheid taken over aan gemeenten. De bijstand? Gedecentraliseerd. Thuiszorg? Gedecentraliseerd. De handhaving van de Drank- en horecawet? Decentralisatie nadert. Porties van de Algemene wet bijzondere ziektekosten? Idem.

En de jeugdzorg, een operatie die gepland staat voor 2015. Gemeenten worden dan volledig verantwoordelijk. Nu is die verantwoordelijkheid versnipperd: de jeugdzorg valt grotendeels onder de provincies, maar gesloten jeugdinrichtingen vallen bijvoorbeeld direct onder het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. En gemeenten zijn weer verantwoordelijk voor de preventie van jeugdproblemen – via bijvoorbeeld de leerplichtambtenaar of de jeugdgezondheidszorg. Vanaf 2015 nemen gemeenten alle onderdelen op zich: preventie én zorg. De idee: gemeenten kunnen sneller lichte hulp bieden om zo – aldus de ‘transitieagenda jeugdzorg’ van het kabinet-Rutte I – „de vraag naar zwaardere specialistische hulp terug te dringen”.

Vandaar die vele decentralisaties. Of het nu gaat om probleemkinderen of gehandicapten, gemeenten staan dichter bij hen en hebben dus een beter zicht op hun problemen en kunnen ze sneller oplossen.

Zo bezien lijkt het logisch. Maar volgens Maarten Allers, hoogleraar economie van decentrale overheden aan de Rijksuniversiteit Groningen, is er sprake van een fnuikend mechanisme. Want, zegt hij, hoe meer taken gemeenten moeten uitvoeren, hoe groter de kans dat er meer zullen volgen. „Het is een zwaan-kleef-aan-effect. Neem de bijstand. In 2004 werden gemeenten financieel verantwoordelijk. Voor gemeenten werd het financieel interessant om jonge bijstandskandidaten door te verwijzen naar de Wajong – de uitkering voor jonggehandicapten. Die werd betaald door het Rijk. Waarna het Rijk bedacht: laten we de Wajong ook deels door gemeenten uitvoeren.”

Zo verschuift volgens Allers het „hele sociale domein” naar gemeenten, van gehandicapten tot hulpbehoevende bejaarden. „Want steeds geldt: de gemeente heeft er het meeste zicht op.” Het gevolg is dat gemeenten, om al die taken te verstouwen, noodgedwongen moeten samenwerken of fuseren. „En dan staan ze niet langer dicht bij de burger. Dan is de reden voor die decentralisaties verdwenen.”

En dan is er het geld. Volgens het Rijk zijn decentralisaties voordelig – in jargon: ze leveren ‘efficiëntiekortingen’ op. Immers, decentralisatie vermindert de versnippering van verantwoordelijkheden. Voor de jeugdzorg gaat het nieuwe kabinet uit van een efficiëntiekorting van 15 procent. Dat betekent jaarlijks 450 miljoen minder geld voor jeugdzorg.

Zo’n korting raakt ook de AWBZ. In het regeerakkoord staat dat de gemeente verantwoordelijk wordt voor de ‘AWBZ-functies’ begeleiding en persoonlijke verzorging. Ze krijgen een korting van 25 procent. Ofwel 1,6 miljard minder dan wat het Rijk er nu aan uitgeeft.

Wie behoefte heeft aan een ‘beschutte’ werkplek, moet in 2014 ook naar de gemeente. Die krijgen daarvoor een gemaximeerd bedrag van het Rijk: voor 30.000 mensen het minimumloon. Het is nog onduidelijk wat dit gemeenten gaat kosten. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zegt dat het pijn zal doen. „Veel bedrijven binnen de sociale werkvoorziening maken nu al verlies en die verliezen zullen naar verwachting oplopen.”

Het Rijk draait de duimschroeven nog verder aan, via de Wet houdbare overheidsfinanciën. Als die wordt aangenomen, gelden Brusselse begrotingsnormen ook voor lagere overheden. En de minister van Financiën krijgt meer bevoegdheden over hun financiën, bijvoorbeeld als tekorten oplopen. Een foute, perverterende wet, noemde VNG-voorzitter Annemarie Jorritsma de nieuwe regels afgelopen week tijdens een hoorzitting in de Kamer.

Meer taken dus, voor minder geld. Misschien slagen gemeenten erin hun financiën gezond te houden. Aan de decentralisatie van een kostenpost als de AWBZ kleeft in elk geval een voordeel: hulp is niet langer een recht, maar een voorziening. Kortom, gemeenten mogen nee verkopen aan een bejaarde met een hulpvraag. Dat spaart geld, hoop het kabinet.

Opnieuw ziet Maarten Allers het somber in. „Er komt ophef als een gemeente een paar keer hulp weigert aan een bejaarde. Patiëntenorganisaties zullen zich verenigen, er komen Kamervragen over.” Onder die publicitaire en parlementaire druk zullen gemeenten dat uitgespaarde geld alsnog aan die bejaarde moeten uitgeven. Allers: „De grote vraag is: waar moeten gemeenten dat geld vandaan halen?”