Kwetsbare journalistiek

Nederland werd gisteren voor de derde keer in acht jaar door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg berispt voor het beperken van de persvrijheid. Dat is een blamage voor de rechtsstaat, die in minder liberale verdragslanden zal worden opgemerkt. Kennelijk heeft het mensenrechtentrotse Nederland het eigen huis niet op orde.

Het is ook een zoveelste correctie van de praktijk van officieren, politiemensen en rechter-commissarissen die redacties doorzoeken, fotomateriaal of documenten in beslag nemen of telefoongegevens willen inzien. En als journalisten dat weigeren, hen vervolgens gijzelen om ze tot die medewerking te dwingen.

Dat lukt vervolgens nooit – het is eerder een zeldzame kans om Held van Journalistiek Nederland te worden en martelaar van de goede zaak. Het Openbaar Ministerie schuwt echter ook intimidatie niet. In de zaak tegen Autoweek en uitgever Sanoma, die Nederland in 2010 in Straatsburg verloor, dreigde het parket de productie van het blad te komen verstoren.

Er bestaat in Nederland helaas een lange traditie waarin vooral plaatselijke autoriteiten veel te weinig begrip van persvrijheid hebben. Journalisten die zich verzetten, krijgen pas in appèl of cassatie zicht op enige bescherming. Hoewel ook de Hoge Raad in de zaak die De Telegraaf gisteren won, niet thuis gaf. De neiging om het opsporingsbelang zwaarder te laten wegen is nog steeds dominant.

Lang niet alle journalisten zijn bovendien even weerbaar. Velen geven in een vroeg stadium toe en maken hun bronnen of materialen bekend, zo bleek uit een enquête van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ). De angst van bronnen om informatie prijs te geven aan journalisten is dus niet ongegrond. De strijd tussen de Staat en ‘de media’ is immers een ongelijke. Het zijn de grote, relatief rijke uitgevers die de strijd kunnen betalen – en de goed beschermde journalisten die de zware druk kunnen incasseren. De rest wordt te makkelijk platgewalst.

Het brengt de NVJ er wederom toe om wettelijke bescherming van het journalistieke beroepsgeheim te vragen. Ook deze discussie loopt al jaren en verloopt langs vertrouwde paden. Bezint eer ge begint, is het tegenargument. Een wettelijk verschoningsrecht zal ook de uitzonderingen moeten regelen. Er zijn nogal wat handhavers die dat een interessante gedachte vinden. Zo’n wet moet ook definiëren wie er journalist is en wie niet. In een tijd waarin journalistieke technieken en kanalen in hoog tempo voor iedereen beschikbaar komen, is dat een opgave. Als lagere rechters beter zouden luisteren naar wat de hoogste rechter zegt, is er al veel gewonnen.