Jazzy improviseren op sprookjes

Twee eeuwen geleden verscheen de oerversie van de sprookjes van de gebroeders Grimm. Wetenschappers van velerlei pluimage verdiepten zich in oorsprong, magie en betekenis. Philip Pullman, ‘the best storyteller ever’, wist vijftig sprookjes verbluffend te bewerken.

Wie weet niet wat volgt op ‘spiegeltje, spiegeltje aan de wand’? Wie denkt bij Assepoester niet aan het muiltje dat het arme meisje verliest wanneer ze na haar betoverende dans met de koningszoon de paleistrappen afrent om op tijd thuis te zijn?

Sinds de verschijning van de eerste editie van de Kinder- und Hausmärchen in 1812, is het sprookjesboek van Jacob en Wilhelm Grimm een van de meest gelezen verhalenbundels. Over de redenen daarvoor hebben literatuurcritici, cultureel antropologen, feministen en psychoanalytici zich eindeloos gebogen. Maar als je de conclusie in The Irresistible Fairy Tale mag geloven, een recente, interessante cultuurhistorische studie naar de oorsprong en evolutie van het sprookjesgenre van literatuurwetenschapper Jack Zipes, zijn er nog steeds meer vragen dan antwoorden.

Toen Philip Pullman – vermaard om zijn His Dark Materials-trilogie – het verzoek kreeg ter ere van het Grimm-jaar (2012) vijftig sprookjes te bewerken, besloot hij daarom terug te keren tot de bron, door zich af te vragen ‘how the tales work as stories’.

Volksverhalen

De gebroeders Grimm probeerden vanuit hun taalkundig wetenschappelijke achtergrond het oorspronkelijke karakter van de mondeling overgeleverde volksverhalen te vangen. Ook Pullman wil in zijn Grimm Tales for Young and Old de sprookjes zonder stilistische ballast ‘as clear as water’ te vertellen.

Dat hij daar wonderwel in slaagt, verbaast niet gezien zijn status als ‘best storyteller ever’. Bovendien beschikt hij over het vermogen om soepel, ongecompliceerd en generatieoverschrijdend te schrijven. Pullman plaatst de tweehonderd jaar oude Grimmsprookjes niet in een verwrongen moderne setting. Persoonlijke interpretaties en poëtische uitspattingen laat hij wijselijk achterwege. En ook de zoetsappige slotakkoorden uit de Disneyfilms hebben hem gelukkig geenszins beïnvloed.

Pullmans sprookjeslandschap is even duister en grimmig als dat van zijn inspiratiebron. Zo handhaaft hij de afloop van Sneeuwwitje, waarin de kwade koningin in rood verhitte muiltjes moet dansen tot ze dood neervalt. En wanneer de stiefzusters van Assepoester een stuk hiel en teen afhakken om hun ‘welgevormde’ voeten passend te krijgen voor Assepoesters verloren schoentje, beschrijft hij dat net zo bloederig als zijn illustere voorgangers.

Zoals de meeste vertalers en vertellers gebruikte Pullman de licht geromantiseerde en gekuiste Grimm-editie van 1857. Maar wanneer de helden heldinnen zijn – en dat zijn ze opvallend vaak, omdat de sprookjesvertelkunst, volgens Zipes een favoriete vrouwenbezigheid was in 17de-eeuws Frankrijk – wijkt hij bewust af van de tekst uit 1857. (On)gewenste zwangerschappen, verkrachtingen en incestueuze praktijken mag je niet verdoezelen vindt Pullman: vrouwen zijn dom noch onschuldig. In Pullmans versie is Raponsje, afgesloten van de buitenwereld in een traploze toren, daarom niet langer het zedige meisje dat ze bij Grimm is. Ze weet dat ze zwanger is en overeenkomstig de oerversie uit 1812 verraadt ze haar prinselijk bezoek aan de heks door op te merken dat haar kleren zo strak zitten.

Boeiend is Pullmans persoonlijk getinte commentaar op ieder sprookje. Zo schrijft hij dat we ons de volkssprookjes eerder herinneren door een bepaald tafereel dat zich ooit heeft vastgezet in ons collectieve geheugen dan door de opeenvolgende gebeurtenissen. Ligt daarin soms de oorsprong van het mysterie van het sprookje? In die onuitwisbare beelden, vormgegeven, doorgegeven en opnieuw vormgegeven door de magie van de gesproken taal? Pullman lijkt dat te suggereren. Misschien ontbreken daarom ook illustraties in de bundel: het verbeelden wordt aan de lezer zelf overgelaten.

Bij Pullman gaat dat moeiteloos. Uit de wijze waarop hij Doornroosje hervertelt blijkt dat hij precies weet wat dit volksverhaal zo onweerstaanbaar maakt. Vanaf het begin ‘er waren eens een koning en koningin’, werkt hij toe naar dat ene betoverende beeld van het overwoekerde kasteel waarin het leven tot stilstand is gekomen en alles en iedereen in diepe rust is verzonken: de paarden in de stal, de duiven op het dak, het koksmaatje dat in afwachting is van de oorvijg die de kok voor hem in petto heeft.

Zoals dat hoort in een sprookje volgen de gebeurtenissen elkaar onwezenlijk snel op, als in een droom. De korte zinnen hebben een rustig ritme, de bijvoeglijke naamwoorden zijn beperkt en de plotwendingen bekend. Pullman maakt zich als schrijver ondergeschikt aan het verhaal en suggereert anonimiteit.

Al na twee alinea’s is de kinderwens van de koning en koningin in vervulling gegaan. Voordat je het weet hebben ook de wijze vrouwen hun wondergaven aan Doornroosje geschonken. (De Grimms noemen ‘deugd’, ‘schoonheid’ en ‘rijkdom’; Pullman voegt daar, met een knipoog naar de honderd jaar toverslaap die Doornroosje te wachten staat, ‘geduld’ aan toe.) En een paar tellen later is daar de dag dat Doornroosje vijftien is geworden. De vervloeking die over haar is uitgesproken wordt bewaarheid: ze prikt zich aan de spintol en moet een eeuw wachten op de verlossende prinselijke kus.

Seksueel ontwaken

Volgens Bruno Bettelheim (1903-1990), die in zijn beroemde boek The uses of enchantment sprookjes relateert aan freudiaanse psychologie, symboliseert de kus het seksueel ontwaken van Doornroosje en haar eeuwslaap staat voor de trage volwassenwording. Pullman ziet dat anders. Onder het motto dat al die interpretaties van psychoanalytici en andere wetenschappers het mysterie doden, richt hij zich ondubbelzinnig op de oerbeelden en stereotype personages zoals iedereen die kent. En bij Doornroosje is dat die verstilde, verwilderde kasteeltuin en het slapende geheim in het hart daarvan.

Dat paradijselijke droombeeld heeft het (dankzij de Grimmbroers) niet voor niets gewonnen van de eerder gepubliceerde versies van de Italiaan Giambattista Basile en Charles Perrault. Daarin wordt waarin Doornroosje tijdens haar schone slaap door een getrouwde koning wordt verkracht. En hij laat ook jaloerse moeders en kannibalistische echtgenotes een prominente rol spelen.

Pullman speelt met het oerbeeld van de paradijstuin. Hij laat wat weg, en voegt wat toe. Hij improviseert als een jazzmuzikant, subtiel en lichtvoetig. Hij betovert de wereld: ‘not a leaf stirred; the very ripples on the lake stayed as they were, as if made of glass’. We herkennen het beeld. We herkennen de melodie, natuurlijk. Maar wie de componist is weten we niet. Het is ook onbelangrijk: niet de gebroeders Grimm, maar hun sprookjes zitten in onze genen. Ze zijn er om te worden verteld en om naar te worden geluisterd, om het leven te kunnen leven, lang en gelukkig.