Ik denk zoals ik spreek?

Speelt taal een rol in de manier waarop we naar de wereld kijken? Lange tijd dachten taalkundigen van wel. Totdat Noam Chomsky aannemelijk maakte dat talen niet fundamenteel van elkaar verschillen.

‘Ik denk tegenwoordig in het Turks”, zegt een in Nederland geboren meisje van Turkse komaf in de onlangs uitgezonden documentaire Ik zie een verre reis van Fidan Ekiz. Het land van haar voorouders lokt, ze denkt zich daar beter thuis te voelen en bereidt zich voor op emigratie. Denken in het Turks maakt haar voor haar gevoel alvast Turkser. De vraag die dat oproept, is of die andere taal haar ook werkelijk mentaal verandert. Met andere woorden: bepaalt je taal fundamenteel hoe je de wereld ziet en begrijpt? Beperkt je taal je daar misschien zelfs in?

Dat laatste geloofden de Amerikaanse taalkundige en etnoloog Edward Sapir (1884-1939) en zijn leerling Benjamin Whorf (1897-1941), een aan het Massachusetts Institute of Technology afgestudeerde brandveiligheidsdeskundige met een geduchte nevencarrière als taalvorser. ,,Het is een complete illusie te menen dat men zich in essentie zonder tussenkomt van taal aan zijn omgeving aanpast en dat taal slechts een toevallig hulpmiddel is om communicatieve en reflectieve opgaven op te lossen. In werkelijkheid wordt de ‘echte wereld’ onbewust grotendeels opgetrokken uit taalgewoontes van de groep. Geen twee talen lijken zo veel op elkaar dat we kunnen zeggen dat ze dezelfde sociale realiteit weergeven”, schreef Sapir.

Op het eerste gezicht lijkt dat zogenoemde linguïstisch relativisme hout te snijden. Taal en denken zijn ongetwijfeld nauw met elkaar verbonden, en verschillende taalgemeenschappen hebben verschillende culturen die de wereld op verschillende manieren indelen en bekijken. Maar zijn die taalverschillen fundamenteel? Maken ze mensen zo anders, dat ze elkaar niet werkelijk meer kunnen bereiken?

Het palet van kleurnamen is een geliefd bolwerk van relativisten. Sommige talen delen het zichtbare spectrum op in maar drie kleuren, andere in wel tien of meer. Het Russisch onderscheidt goloeboj en siniy, wat wij gewoon licht- en donkerblauw vinden. Zij stellen dat Russen werkelijk iets anders ervaren dan wij. En Amerikanen onderscheiden taupe, dat wij alleen maar kunnen omschrijven als ‘zo’n beetje grijzig of bruinig’. Merkwaardiger, ook twijfelachtiger, zijn de af en toe opduikende berichten over nieuw ontdekte indianenstammen die geen bijzinnen of geen werkwoordstijden kennen – zulke talen vinden we gek genoeg nooit om de hoek. Die mensen zouden alleen in enkelvoudige gebeurtenissen kunnen denken, respectievelijk zonder besef van tijd leven.

De ideeën van Sapir en Whorf werden breed geaccepteerd totdat Noam Chomsky rond 1960 roet in het eten gooide. Chomsky gaf voor het eerst serieuze, toetsbare handen en voeten aan het al vele eeuwen rondzingende idee dat alle mensentalen verschillende uitwerkingen zijn van één onderliggend, aangeboren skelet, een universele grammatica. Maar als, zoals Chomsky meer dan aannemelijk maakte, alle talen in laatste instantie varianten op hetzelfde thema zijn, dan kunnen verschillen tussen talen ook niet fundamenteel van aard zijn.

Dat theoretische bezwaar staat nog als een huis. Maar er zijn ook empirische en intuïtieve argumenten. Eén is dat Amerikanen niet nauwkeuriger dan wij kunnen aangeven wat taupe betekent. Dat kan toch moeilijk betekenen dat ze niet weten wat ze zien als ze het over taupe hebben. Serieuzer is het punt dat verschillen in Weltanschauung die in taal worden uitgedrukt, lang niet altijd talig van aard zijn.

In sommige Aboriginetalen oriënteert men zich ruimtelijk niet, zoals wij, op de spreker of hoorder, maar staat de geografische wereld centraal: iets staat niet links of rechts naast je, voor je of achter je, maar ten oosten of ten zuiden, en zo voort. In het Aymara, een taal in de Andes, ‘ziet’ men het verleden voor zich – dat kun je immers zien – en de onbekende toekomst ligt achter je, letterlijk uit het zicht. Waar wij tegen de stroom van gebeurtenissen in kijken, kijken de Aymara’s stroomafwaarts mee, maar dat is geen taalkundige notie.

Ook al lijkt de wereld vaak gebukt te gaan onder een Babylonische spraakverwarring waarin iedereen tegen dovemansoren praat, toch blijken mensen die op latere leeftijd met andere talen en culturen te maken krijgen, daar heel goed mee te kunnen omgaan. Wij Nederlanders kunnen ons ondanks een gebrek aan een aoristus, passato remoto of brede tijd uitstekend verstaan met Grieken, Italianen en Turken. Nieuw ontdekte ‘wilden’ begrepen na wat aanvankelijke verbazing en misverstanden altijd drommels goed wat schepen, vuurwapens en zelfs vliegtuigen waren, ook al waren die hun wezensvreemd. En ze leerden als ze de kans kregen net zo gemakkelijk lezen en rekenen als ieder ander. Verschil in talige achtergrond maakt mensen dus niet ongelijkwaardig, hoogstens onverstaanbaar.