Hier woonde Mariannes moordenaar dus niet

Een Nederlander snijdt geen kelen door. Dus moest de moordenaar van Marianne Vaatstra wel een asielzoeker zijn, luidde de redenering. „De agressie was zo groot.”

Lineke Nieber

Verslaggever

Nederland, Kollum, 22-11-'12; De laatste overblijfselen van het voormalige AZC in Kollum. Bewoners van het asielzoekerscentrum werden beschuldigd van de moord op Marianne Vaatstra. Foto: Kees van de Veen Kees van de Veen

Aan de Trekweg in Kollum wordt hard gewerkt. Het laatste gebouw van het voormalig asielzoekerscentrum De Poelpleats gaat tegen de vlakte. Toeval, roept een bouwvakker die met een breekijzer planken van het dak trekt. De sloop heeft niets te maken met de recente ontwikkelingen in de zaak-Vaatstra. Zijn zoon was vanmiddag vrij, zegt hij. Konden ze mooi samen de mouwen opstropen.

Het terrein is overwoekerd. Twee shetlandpony’s grazen tussen de bomen. Er ligt blubber, houtwol en afgedankt sanitair.

„Droef”, noemt Nettie Groeneveld (60) de plek. Ze was van 1996 tot 1 januari 2000 directeur van het AZC in Kollum. Al die jaren keken ze er niet naar om, en nu moet ineens alles plat. „Dat hij dat dan toeval noemt”, mompelt ze.

Dertien jaar geleden, april 1999, woekerde het struikgewas hier ook. Fluitekruid, tot zover je kon kijken. Het beloofde een warme zomer te worden, zegt Groeneveld. In haar kantoortje onder het platte dak moesten de ramen open.

Dat voorjaar – in de nacht van vrijdag 30 april op zaterdag 1 mei – werd Marianne Vaatstra enkele weilanden verderop gevonden. Ze was verkracht, haar keel was doorgesneden. Nog geen 24 uur later wezen er al vingers in de richting van het asielzoekerscentrum. Het was een on-Nederlandse manier om iemand om te brengen was de redenering, en bewoners van het AZC Kollum waren die nacht in het uitgaansleven gesignaleerd. Op de plek waar ook Marianne Vaatstra Koninginnedag vierde. Er werden namen genoemd en verhalen rondverteld. Groeneveld: „Daarmee was de crisis geboren.”

Asielzoekers waren een opkomend thema in de jaren negentig. Overal doken minidorpjes op. Er kwamen centra die waren bedoeld als doorvoerhaven, en plekken waar mensen soms jaren verbleven. Somaliërs, Afghanen en Joegoslaven bewoonden plots bejaardentehuizen, schoolgebouwen en campings. Vooral in Friesland werden veel AZC’s ingericht. De rust en ruimte nodigden ertoe uit.

De Poelpleats was een van die nieuwe AZC’s. Het was een vooruitstrevend centrum. De bewoners, ruim vierhonderd, woonden er in stacaravans tussen de bomen. Vijf mensen per caravan. In plaats van eetzalen met grote pannen voedsel, kregen mensen hier – en dat was nieuw – een budget om zelf te koken.

Kollummers moesten wennen aan de braadluchten. En aan zoveel nieuwe gezichten. Vierhonderd allochtonen op een dorp van vijfduizend Friezen – dat valt op.

Maar er waren ook aantrekkelijke voordelen, herinnert Nettie Groeneveld zich. Een AZC verschaft werk. Kollummers gingen op het centrum aan de slag. En ook de middenstand verheugde zich. Vierhonderd mensen die soms naar de kroeg gaan, en óók boodschappen doen. De C1000 in Dokkum breidde het assortiment uit: er lag ineens lamsvlees in de schappen.

Nettie Groeneveld benadrukt die voordelen. Een gewoonte. Het was tenslotte jarenlang háár taak om draagvlak te creëren voor die vierhonderd nieuwe mensen. En dat lukte. Tot de nacht van 30 april 1999.

Wat er toen gebeurde? Nettie Groeneveld noemt het de psychologie van de massa: één persoon wijst een richting op en de hele meute loopt er achteraan. Met haar ogen dicht zoekt ze naar de woorden. „De agressie was zo groot. Wat ik het ergste vond was de uitsluiting. Asielzoekers werden in één klap ongenode gasten in de streek. Ik zag mijn werk afbrokkelen.”

Bewoners werden bespuugd, beschimpt en bedreigd, zegt ze. „Ze werden in de sloot geduwd en van hun fiets getrokken. Mensen waren bang.”

De dinsdag na de moord haalde Groeneveld het Instituut voor Psychotrauma in huis. „Omdat ik dacht: dit gaat fout.” Medewerkers kwamen in een spagaat terecht. Sommigen kenden Marianne Vaatstra, en werkten op het AZC. Hoe konden zij voor de asielzoekers blijven werken? „Die mensen konden geen kant meer uit.”

Kollum behoort met Zwaagwesteinde – het dorp waar Marianne Vaatstra woonde – tot de Friese Wouden. Een streek met houtwallen op verarmde zandgrond. De bevolking bestond oorspronkelijk uit kleine keuterboeren, doorgaans armer dan bewoners van de aangrenzende Kleistreek. Opvliegend volk, zegt Nettie Groeneveld. „In de Wouden zijn de mensen feller dan op de Klei. Ze zwaaien met de vuisten als het moet. Ze komen voor elkaar op.”

Al op de eerste avond na de moord arriveerde er een auto aan de poort van het AZC in Kollum. Het raampje werd naar beneden gedraaid en er kwam een vuist naar buiten. ‘We komen de moordenaar halen’, werd er geroepen. „Het was er één van hen die was vermoord”, zegt Groeneveld. „Daar maakt zo’n dorp dan werk van.”

Nettie Groeneveld werd – zegt zij – zaterdagavond, een dag na de moord, door de plaatsvervangend directeur bijgepraat. Het CID, de criminele inlichtingendienst (nu CIE), was langs geweest. Zij hadden een bewoner op het oog. Twee andere asielzoekers bleken in de nacht van de moord niet te zijn teruggekeerd op het terrein van het AZC.

Dat mensen zomaar vertrokken kwam vaker voor, zegt Groeneveld. „Ze verdwenen bijvoorbeeld in de illegaliteit. Logisch ook: als je geen zicht hebt op verblijf, wat moet je dan?” Bij de vreemdelingenpolitie, waar iedere asielzoeker wekelijks een stempel haalt, kregen deze mensen het etiket ‘MOB’, met onbekende bestemming vertrokken. „Zoiets gebeurde iedere maand weleens.”

Maar dat juist deze nacht asielzoekers verdwenen, voedde de geruchten. Er ontstonden complottheorieën: de asielzoekers zouden in het geheim naar andere centra zijn overgebracht. Nettie Groeneveld: „Dat was natuurlijk het verwijt, hè, dat het AZC er alles aan deed om ervoor te zorgen dat nooit boven tafel zou komen dat de dader een asielzoeker was. Dan zou het draagvlak voor een centrum in één klap zijn verdwenen.”

Er zijn meer auto’s aan de poort geweest die zomer. Sterker nog: over de Trekweg, het dijkje parallel aan het terrein, reden auto’s af en aan. „Een hele stoet, zoals dat nu ook ongetwijfeld bij de boerderij van Jasper S. gebeurt”, zegt Groeneveld. „Iedereen wilde ineens het AZC zien.”

Er kwam een stille tocht voor Marianne Vaatstra, en een peloton ME’ers op het AZC-terrein. Bouwlampen verlichtten de houtwallen. Niemand ging meer ongezien De Poelpleats op of af. Het centrum was een eiland, hermetisch van de buitenwereld afgesloten. „Het werd wij tegen zij.” Er waren dreigbrieven. Acht maanden lang, tot 31 december 1999, hield de onrust aan. Steeds opnieuw moest de ME komen. Groeneveld: „Het leek wel oorlog.”

En Nettie Groeneveld zelf? Die wreef in december haar ogen uit. „Ik had acht maanden lang met oogkleppen opgelopen. Ik was gefocust op de gebeurtenissen. De rest leek onbelangrijk.” Er was binnen het COA (Centraal Orgaan opvang asielzoekers) een reorganisatie aan de gang. De functie van directeur AZC werd opgeheven. Nettie Groeneveld moest opnieuw solliciteren. Tijdens het sollicitatiegesprek ging het mis, zegt ze. „Ik wist niet waar het over ging. Ik heb geen enkele herinnering meer aan dat gesprek.”

Twee jaar na haar vertrek zijn alle asielzoekers uit Kollum verdwenen. De bestuursovereenkomst voor het AZC liep af. Er was, zegt Groeneveld, geen draagvlak voor een nieuw centrum.

Groeneveld volgt nu een opleiding tot trainer mindfullness. Ze leert mensen met stress en pijn omgaan. „Je houding ten opzichte van pijn wordt anders. Het idee is: je moet het akelige niet mijden, het gaat erom te accepteren dat de pijn er is.” En dat betekent voor haar een „kwalitatief beter leven”.

Het nieuws dat er nu een verdachte is in de zaak-Vaatstra, hoorde ze maandagochtend op de radio. „Het is fantastisch nieuws.” Dat, behalve enkele journalisten, niemand haar over de zaak heeft gebeld, verbaast haar niet. „Er zijn andere spelers nu.”

Groeneveld vindt een excuus wel op zijn plaats, voor het hele AZC. Want na een oorlog sluit je vrede.

„Ik herinner me nog een bijeenkomst, waarop een van de jonge asielzoekers opstond. Hij vroeg: als de dader nou niet hier gevonden wordt, komen ze dan excuses aanbieden?”

Haar antwoord? „Ik zei: ik hoop toch wel dat dat dan gaat gebeuren.”