Het suspecte wonder van de pornografie

Dichter Jacob Groot laat in deze lijvige roman ‘de tong de vrije loop’. Het resultaat is een stroom beelden, verhalen, scènes en beschouwingen, waarbij pornografie een religieuze dimensie lijkt te krijgen. Naast De Sade verschijnt Pipo de clown – een wonderlijk en uniek boek.

Een wonderlijker boek dan Jacob Groots Adam Seconde is dit jaar niet verschenen. Noch het vorige jaar, of het jaar daarvóór. We moeten teruggaan naar 2008 om iets vergelijkbaars te vinden, want in dat jaar publiceerde Groot, vooral bekend als dichter, de kleine roman Billy Doper. Wie een beetje bijbelvast is, zou in die titel een aankondiging kunnen lezen van het veel omvangrijkere nieuwe boek. Daarin moet dan de messias zelf ter sprake komen, maar dat blijkt slechts ten dele het geval. Niet hoofdpersoon Adam Seconde is de verlosser, hij moet juist worden verlost.

Hoe dat in zijn werk gaat, vertelt Groot in een lawine van beelden, verhalen, scènes en beschouwingen, waarin het telkens draait om de liefde, om de pornografie en om iets wat je alleen maar kunt aanduiden als de religieuze dimensie die Groots hoofdpersoon in beide meent te bespeuren. Dus toch nog een evangelie, al lijkt het me niet eenvoudig om de eventuele geloofspunten die het bevat helder en bondig onder woorden te brengen. Jacob Groots evangelie heeft namelijk de neiging om alle kanten op te stromen. Geen onoverkomelijk bezwaar, want ik krijg niet de indruk dat hij erop uit is ook maar iemand te bekeren. Daarvoor is dit boek te zeer in zichzelf besloten, op het solipsistische af, net als zijn voorganger Billy Doper.

Er is wel een soort verhaal, maar dat markeert voornamelijk het parcours waarbinnen Groot en de door hem geschapen tweede Adam hun onnavolgbare gang mogen gaan, de niets vermoedende lezer vaak in verbijstering achterlatend, op weg naar een vooralsnog duister doel. Genoeg raadsels – laten we even naar dat verhaal kijken.

Adam Seconde, die onder meer zo lijkt te heten omdat zijn geliefde Eva Première heet (dames gaan voor), heeft last van een inzinking en krijgt een zomer lang de beschikking over een mooie flat in Egmond aan Zee ten einde er te recupereren. Kuren aan zee. De flat is het eigendom van een zekere dokter Ronnie Tauber, huisarts in ruste die met de digitalisering van alle mogelijke diagnoses grof geld heeft verdiend. Diens vrouw, een verre nicht van Eva, heet Sandra, en wie nu denkt aan de onsterfelijke hit ‘Rozen voor Sandra’ van Ronnie Tober begint al een beetje te snappen over welk associatief kronkelpad dit verhaal zich voortbeweegt. Ronnie Tober, Sandra’s rozen, Richard Tauber, internet, hoog en laag, banaal en verheven, de zee en de duinen, en niet te vergeten het Noord-Hollandse landschap – met elkaar vormen ze een deel van de curieuze mix waaruit Groots roman bestaat.

Adam heet een ‘bibliothecaris binnen het academische circuit’ te zijn, een ‘senior keeper of memory’, tijdelijk op non-actief gesteld nadat hij onder werktijd is betrapt op het kijken naar internetporno. Eenmaal in Egmond, ronddwalend in het duingebied en zwemmend in zee, zet hij zijn geheugen aan het werk, met als gevolg dat de lezer wordt ondergedompeld in Adams herinneringen en obsessies, die in eerste instantie alles met pornografie te maken hebben. Adam blijkt verslaafd aan iets wat hij zelf ‘DeSire’ noemt, een mateloos verlangen – maar naar wat eigenlijk? Religieuze vervoering, oceanische extase, pantheïstische bezieling of toch een permanent op afroep beschikbaar orgasme?

In zekere zin gaat het om dit alles tegelijk. Groots Adam beziet de wereld met een pornografische blik, er hoeft in de duinen maar een joggend meisje (girl) voorbij te komen of de werkelijkheid verandert in een vieze film. Maar als Adam in zijn herinnering een Alkmaarse seksshop bezoekt, waar de bezoekers in morsige kamertjes naar video’s zitten te turen, vraagt hij zich af of dit nu het kamertje is waar volgens Borges in Alkmaar de Aleph te zien was.

Pornografie, industriële ‘smeerpijperij’ (wat dat betreft windt Groot er geen doekjes om), raakt in deze roman ook aan het hoogste. Het ‘suspecte wonder van de pornografie’ komt erop neer dat het beeld zich van elke werkelijkheid losmaakt en dus in ‘platonische’ of ‘goddelijke’ sferen terechtkomt. Door het lagere tot het hogere: wie voor enige ketterij niet terugdeinst, zal de route herkennen. Groot en zijn Adam zijn daarin overigens niet kinderachtig, want de reëel bestaande pornoster Anita Feller (‘Fel, feller, felst’) die de top van hun pornohemel belichaamt, gaat zich te buiten aan werkelijk de smerigste seks die je bedenken kunt. Poep, pis, piercings, ‘fisting’, alleen geneukt wordt er niet – een gezonde jongen zegt dan: gadverdamme, maar juist dat blijkt hier de springplank naar boven.

Hoe groter het exces, hoe meer de kijker, verleid door de buitensporigheid van de beelden, aan zichzelf ontsnapt. En tenslotte een ander wordt. Want dat blijkt voor Adam de grootste attractie van pornografie te zijn: de ‘transseksualisering van haar subject’. De man wordt de vrouw en omgekeerd, al voegt Groot er unverfroren aan toe dat ook een andere conclusie tot de mogelijkheden behoort, want ‘in deze seksuele niche [is] nu eenmaal niets voor één gat te vangen’. Elders zien we hem bijvoorbeeld de lof zingen van de ‘pure pornografie’, waarin de ‘schennis’ zelfs van elke figuratie is losgeraakt: transgressie om de transgressie.

Onmiddellijk denk ik dan aan de markies de Sade of aan Georges Bataille, namen die in Adam Seconde inderdaad genoemd worden. Met hen kun je tegenwoordig wel voor de dag komen, maar Jacob Groot beperkt zich niet tot enkel literair salonfähige verwijzingen, ook Pipo de Clown (‘lieve kijkbuiskinderen’), ‘Wie van de drie?’, diverse popsongs en nog meer dubieuze pornosterren komen voorbij.

De Odyssee ontbreekt evenmin, want Adams louterende duik in zijn pornografische verleden lijkt ook bedoeld om de relatie met zijn aanzienlijk aardser en nuchterder Eva weer vlot te trekken. Hij heeft zich naar eigen zeggen in Egmond van haar verwijderd, om weer bij haar terug te kunnen komen. De pornografie was kennelijk een belemmering in de liefde, maar dat wordt opgelost doordat Adam in een laatste fantasie (‘Alles kon in Egmonds donkere paradijs’) Eva met haar concurrente Anita laat samenvloeien tot een wellustige ‘Evita’. De virtuele ontrouw blijkt alsnog een liefdesverklaring.

Ik licht nu maar een paar lijnen uit de verbale maalstroom, waarin bijvoorbeeld ook een soort geschiedenis van de pornografie is opgenomen, inclusief de constatering dat de ‘pornografisering van de openbaarheid’ tegenwoordig overal is. Met typerende dubbelzinnigheid zegt Adam: ‘Soms laat je de tong de vrije loop’. Precies dat lijkt Jacob Groot in deze roman te hebben gedaan. Adam Seconde is evident het boek van een dichter, iemand voor wie de lyrische Schwung belangrijker is dan de logica van het verhaal. In een goed gedicht kun je aan een paar woorden genoeg hebben. Dat laatste is alleen niet van toepassing op deze lijvige roman, waarin de woorden en masse over elkaar heen buitelen en de lezer geregeld in ademnood komt.

Het enige wat er dan op zit is je te laten meeslepen, van de ene schaamteloze, poëtische, zotte, obscene, verheven of banale episode naar de andere. Groot gebruikt naar willekeur allerlei registers door elkaar: infantiel, geestig, quasi-wetenschappelijk, hoogdravend, plat, melig, sacraal, schunnig, vervoerend. Nu eens zijn het volzinnen, die rustig een hele pagina beslaan, dan weer volgen de woorden, tot ultrakorte zinnen verknipt, elkaar staccato op.

Telkens verandert het perspectief, telkens duikt er weer iets nieuws op. ‘Gods geest zweeft over de wateren’, citeert Groot meer dan eens de bijbel, met de verzekering dat deze woorden ‘onophoudelijk waar’ zijn. Dat wil zeggen, in antwoord op de retorische vraag ‘hoe bestaat het?’ waarmee zijn relaas zo ongeveer begint: alles bestaat dankzij permanente creatie. In het echt en uiteraard ook in dit unieke, volstrekt eigenzinnige boek. Het zou, denk ik, een ramp zijn als onze hele literatuur uit romans van dit compromisloze kaliber bestond, maar een nog grotere ramp voor de literatuur zou het zijn wanneer er nooit (of nooit meer) een roman als Adam Seconde werd geschreven.