Eerst de kabouter, dan het kroost

Meteen na zijn huwelijksreis verdween Jean Dulieu drie weken, alleen. Zijn partner was eigenlijk Paulus de Boskabouter, duidt zijn dochter in een persoonlijke biografie.

Jean Dulieu, de schepper van Paulus de Boskabouter, leidde geen tweede leven als spion of crimineel en onderhield geen buitenechtelijk liefdesleven. Heimelijke verlangens had hij wel, hint Dorinde van Oort in haar biografie Paulus de Boskabouter of Het dubbelleven van Jean Dulieu: er zouden latente homoseksuele gevoelens in het spel zijn. Maar het ‘dubbelleven’ uit de titel duidt vooral op de moeite die Jean Dulieu (1921-2006) had met het combineren van zijn kunstenaarschap met een gezinsleven. Wanneer hij en zijn echtgenote Kitty al wekenlang niet bij elkaar zijn, schrijft hij haar: ‘Was je maar hier. Voor jou.’ Evengoed had ze aan hem dan niet veel gehad, hij ‘die niet anders doet als leuke plaatjes tekenen en voor zijn leuke vrouwtje geen blik over heeft’.

Paulus, de kabouter over wie Dulieu duizenden strips maakte en die uitgroeide tot een kinderheld, lijkt een veel belangrijkere figuur in Dulieus leven dan zijn gezin. Een auteursrechtenkwestie voelt voor Dulieu als een zaak om het ‘voogdijschap’ over Paulus. De kabouter gaat boven Kitty en kroost.

De biograaf spaart haar onderwerp niet – en ze weet waarover ze het heeft: Dorinde van Oort is de oudste dochter van Jan van Oort, de man die schuilging achter het pseudoniem Jean Dulieu. Die familieband wekt op voorhand wel de schijn van belangenverstrengeling, want van een dochter is het moeilijk om de distantie van een biograaf te verwachten.

Haar eerdere familiegeschiedenis Vrouw in de schaduw (2006) werd in deze krant bekritiseerd om de onkiese vermenging van ‘fantasie, veronderstelde werkelijkheid en werkelijkheid’. Ditmaal probeert Van Oort zich afstandelijker op te stellen. Ze baseerde zich voornamelijk op dagboeken en brieven, verwart veronderstellingen niet met feiten en schrijft zelfs in de derde persoon over zichzelf.

Rancuneuze gevoelens

Maar de argwaan verdwijnt nooit helemaal: je kunt rancuneuze gevoelens, hoe onbewust ook, niet uitsluiten. De band tussen vader en dochter was in de laatste jaren van zijn leven ronduit slecht. Van Oort schrijft de biografie naar eigen zeggen om haar ‘onkenbare ouder’ te leren kennen.

Hoofdzaak in deze psychologiserende biografie is het persoonlijke leven van Dulieu, en daarin staan de feiten zelden los van duiding. Van Oort dist haar informatie telkens op om heldere redenen, wat maakt dat de biografie soepel leest. Het begint met hoofdstukken over Dulieus ouders en grootouders en welke karaktertrekken hij van wie heeft, waardoor het al snel lijkt ‘of hij als een van zijn eigen willoze marionetten door externe krachten wordt bestuurd’. Zo noemt Van Oort het, en het blijkt een terechte rode draad door haar verhaal: Dulieus jeugd wordt bepaald door onhebbelijke, dwingende volwassenen (vooral vrouwen). Van zijn vader, conservatoriumdocent, moest hij thuis in doodse stilte spelen, omdat er studenten aan huis kwamen. Zijn moeder ging jarenlang openlijk vreemd.

Dat laat sporen na. Dulieu wordt ongelukkig als concertviolist van het tweede garnituur, onhandig in zijn relaties met anderen en er blijft een verlangen knagen om een eigen wereld te scheppen, om kunst te maken. Het is een vlucht, duidt Van Oort, ‘voor de maatschappelijke eisen waartegen hij zich niet opgewassen voelt’.

‘Ik heb een gevoel alsof ik je niet mag liefhebben, alsof er andere plichten voor mij zijn,’ schrijft Dulieu Kitty in een nooit verzonden brief. ‘Als mijn land mij op een of andere wijze nodig heeft, zal en moet ik zonder voorbehoud gaan.’ Dat doet hij dan ook – onmiddellijk na hun huwelijksreisje in 1943 vertrekt hij, alleen, met onbekende bestemming. Die ‘eclips’, zoals het in de biografie heet, zal drie weken duren en geen enkel spoor nalaten in zijn dagboeken (terwijl hij daar doorgaans al zijn zielenroerselen prijsgeeft).

Monniken

Het hoofdstuk waarin Van Oort speculeert over die drie weken vormt de spannendste lectuur van de biografie. Dulieu zou ze doorgebracht hebben in retraite in de Sint Paulusabdij te Oosterhout, waar hij tussen de katholieke broeders verkeerde en zich bekwaamde in houtbewerking. Van Oort voert er de naam van kabouter Paulus op terug, maar ook de oorsprong van personages, de monnikachtige mannenvriendschappen van de boskabouters en Dulieus fascinatie voor kloostergebouwen en voor Franciscus van Assisi – die in al zijn literaire werk terug te vinden zijn.

Zelfs Dulieus vermeende homoseksualiteit past in dat plaatje. Van Oort kan alleen aanwijzingen vinden dat de gevoelens er misschien zijn geweest, Dulieu zou ze altijd weggestopt hebben: een celibatair leven was misschien een uitkomst geweest. Zijn werk – dat overigens meer omvat dan de Paulus-onderneming – fungeerde als uitlaatklep, voor de verwerking van zijn rotjeugd, zijn voorliefdes en zijn voorkeuren (de Paulus-verhalen zijn ook wel eens homo-erotisch gelezen, stipt Van Oort even aan).

Van Oort maakt dat inzichtelijk door te wijzen op de vele autobiografische lijnen die door Dulieus werk lopen. Daarvan is de consequentie dat Van Oort het werk van Dulieu altijd in dienst van het biografische verhaal bespreekt, zelden op zichzelf of in relatie tot andere literatuur – dat had een dimensie kunnen toevoegen. Nu is Paulus de Boskabouter of Het dubbelleven van Jean Dulieu meer een persoonlijke geschiedenis dan een schrijversbiografie. Niet verwonderlijk, als de dochter de biografe is.