Een ‘humane’ schoonveegoperatie

In een donkere veewagon baant een arts zich een weg tussen op de kale grond liggende gestalten, bagage en emmers met excrementen. Een roerloze oude vrouw is doodgevroren. Uit een hoek klinkt hulpgeroep. De dokter bereikt een bloedende vrouw in barensnood. Als hij haar wil verplaatsen blijkt ze met haar bloed aan de vloer vastgevroren te zijn.

Met behulp van een spirituslampje smelt hij wat ijs. Met het hete water weet hij de vrouw te ontdooien. Het enige hulpmiddel dat hij heeft is een injectiespuit en een handvol lappen. Met een injectie slaagt hij erin het bloeden te stoppen. Zijn voeten bevriezen. In het gedrang verliest hij de vrouw weer uit het oog.

Wie dit leest denkt direct aan de deportaties van Joden naar Auschwitz of andere vernietigingskampen in de Tweede Wereldoorlog. Maar dit was een trein vol Duitsers die eind december 1946 in het kader van ‘Operatie Zwaluw’ gedeporteerd werden uit Polen.

Van de 1.543 mensen in die trein uit Poznan en Lódz waren er 600 ouder dan 60 jaar. Voedsel was er niet of nauwelijks en wat er aan vocht was bevroor. Het was 15 graden onder nul. Na ruim vier dagen stapvoets rijden bleken bij aankomst in Marienthal in de Britse zone van Duitsland 16 mensen doodgevroren en moesten er 53 met ernstige bevriezingsverschijnselen in het ziekenhuis worden opgenomen. In Marienthal was geen plaats en de trein werd doorgestuurd naar Bückeburg. Nog eens 300 mensen moesten direct naar het ziekenhuis, van wie er 26 bezweken aan de reis. Een van hen was de vrouw van de dokter. De reis had een week geduurd.

Elf tot veertien miljoen Duitsers zijn na de Tweede Wereldoorlog gevlucht of planmatig verdreven uit Oost- en Midden-Europa. Het merendeel vertrok uit Pommeren, Pruisen en Silezië, het oosten van Duitsland dat na de conferentie van Potsdam aan Polen werd afgestaan. Miljoenen vluchtten eind 1944, begin 1945 voor het Rode Leger uit en mochten niet meer terugkeren; bij ‘wilde verdrijvingen’ vanaf de zomer van 1945 werden nog eens miljoenen over de grens gezet en in 1946/’47 volgde de planmatige deportatie van de rest.

Gedumpt

Van de gedeporteerden was driekwart vrouwen, ouderen en kinderen. Ze werden geïnterneerd, op treinen gezet en gedumpt in het kapot gebombardeerde Duitsland, dat niet in staat was om zulke massa’s op te vangen. Ze werden heen en weer geschoven tussen de verschillende bezettingszones, die niet waren voorbereid op de chaotische exodus.

De Britse historicus R.M. Douglas noemt in zijn boek Orderly and Humane de verdrijving ‘de grootste gedwongen volksverhuizing in de geschiedenis van de mensheid’. Hoeveel mensen in die ruim drie jaar zijn omgekomen is niet meer te achterhalen. Schattingen lopen uiteen van 500.000 tot 1,5 miljoen.

De belangstelling voor deze misdaad, zegt Douglas, blijft buiten Duitsland gering, omdat de Duitsers nog steeds worden gezien als daders en de rest van Europa als slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Vanuit Oost-Europees perspectief gezien waren de wraakgevoelens jegens de Duitsers begrijpelijk.

Maar Douglas richt zijn pijlen vooral op de geallieerden die door hun goedkeuring voor de deportatie medeplichtig werden aan mensenrechtenschendingen ‘die in sommig opzicht een verontrustende gelijkenis vertoonden met nazi-Duitslands poging om de demografische contouren van het continent met vergelijkbare middelen te herzien.’

‘Orderly and Humane’ (ordelijk en humaan) moest de deportatie van de Duitsers volgens het slotdocument van de conferentie van Potsdam verlopen. Op die conferentie, in de zomer van 1945, werd gesproken over de demilitarisering en denazificering van Duitsland, over herstelbetalingen en over de nieuwe Oder-Neissegrens, waardoor Polen 200 kilometers in westelijke richting opschoof.

De facto stemden de Britse premier Churchill en de Amerikaanse president Roosevelt al in 1942 in met Stalins plan om Polen te verplaatsen en de Duitsers uit Midden-Europa te verdrijven. Dat was vooral te danken aan de zeer effectieve lobby van de Tsjechoslowaakse president-in-ballingschap Edvard Beneš. Hij slaagde erin de grote drie in Londen, Washington en Moskou te winnen voor het idee om alle Sudeten-Duitsers na de oorlog uit Tsjechoslowakije te deporteren. De Polen volgden zijn voorbeeld.

In december 1944 zei Churchill tegen het Britse parlement: ‘Deportatie is, voor zover we nu kunnen overzien, de methode die het meest bevredigend en duurzaam is. Er zal geen vermenging van volkeren meer zijn die eindeloze ellende veroorzaakt, zoals in Elzas-Lotharingen. Er zal een schoonveegoperatie plaatsvinden. Ik maak me geen zorgen over het uit elkaar halen van bevolkingsgroepen, noch over deze grote verplaatsingen, die in de moderne omstandigheden realiseerbaarder zijn dan ooit.’

Conclusies

Churchill sloeg hierbij de alarmerende conclusies van een Britse commissie in de wind, die waarschuwde voor de omvang van de operatie en de regering erop wees dat de uitvoer niet aan de Polen en Tsjechen kon worden overgelaten. Het rapport verdween in een la. De geallieerden deden niks. De Russen, Polen, Tsjechen, Hongaren, Joegoslaven konden na de oorlog hun gang gaan.

Met ordelijk en humaan had de deportatie in de verste verte niets te maken. ‘Niemand die deze gruwelen ziet kan eraan twijfelen dat dit een misdaad tegen de menselijkheid is waarvoor de geschiedenis een vreselijke prijs zal betalen, schreef Europa-correspondent Anne McCormick in oktober 1946 in The New York Times.

Over de verdrijving van de Duitsers na de oorlog is, vooral in Duitsland, veel geschreven. Al in de jaren vijftig werden in opdracht van de Duitse regering op grote schaal interviews bij Heimatvertriebenen afgenomen. Die documentatie diende vooral een politiek doel. Duitsland had zich nog lang niet neergelegd bij de inkrimping van zijn grondgebied en de horrorverhalen kwamen van pas om de eigen schuld te verkleinen. De invloedrijke Bund der Vertriebenen werd in Bonn en later in Berlijn een rechtse politieke factor van betekenis. Ze verpestte lange tijd de verhoudingen tussen Duitsland en Polen.

Tijdens de Ost-Politik van de sociaal-democratische kanselier Willy Brandt, die gericht was op verzoening met Oost-Europa, werden de Heimatvertriebenen in het defensief gedrongen. In de jaren zestig verschoof, met de opkomst van de linkse terreurorganisatie Rote Armee Fraktion, het accent weer naar de Duitse daders, de collectieve schuld en de gebrekkige denazificering van Duitsland.

Pas na de val van de Muur en de definitieve erkenning van de Oder-Neissegrens (en na het vertrek van de nationalistische Poolse president Kaczynski) krijgen de (kinderen van) de gedeporteerde Duitsers nu langzaam de historisch uitgebalanceerde aandacht die ze verdienen.

Het gaat er Douglas niet om de misdaden van de nazi’s te bagatelliseren door ze gelijk te stellen aan de vergelding die na de oorlog op grote schaal in heel Europa heeft plaatsgevonden. Hij besteedt in zijn boek uitgebreid aandacht aan de etnische zuiveringen waarmee Hitler in Europa de toon had gezet. De verdrijving van de Duitsers, hoe inhumaan ook, is natuurlijk op geen enkele manier te vergelijken met Hitlers planmatige uitroeiing van de Joden.

Maar Douglas betoogt terecht dat het Europese verleden pas evenwichtig beschreven is als ook het mindere kwaad zijn plaats heeft gekregen in de geschiedschrijving. Voor de Duitse slachtoffers van de deportaties, vaak vrouwen en kinderen, is de schuldvraag sowieso niet meer van betekenis.