Een groene kledingkast en toch hip – het kan

De mode-industrie is een van de meest vervuilende bedrijfstakken. Doorbreken dus, die cirkel van kopen, kopen, kopen.

Illustratie Stella Smienk

Een kwart van alle pesticiden in de landbouw wordt gebruikt in de katoenteelt. Voor de productie van kleding zijn enorme hoeveelheden water nodig. Textiel is goed voor 10 procent van het wereldwijde CO2-gebruik, en bijna de helft van de afvalwaterproblemen in de wereld heeft te maken met de textielproductie. Eenzesde van de wereldbevolking werkt in de kledingindustrie. Daar zitten vooral mensen uit ontwikkelingslanden bij, die vaak niet eens kunnen rondkomen van hun inkomen.

Kortom: de mode-industrie heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld tot een van de meest vervuilende – alleen de olie-industrie is erger – en mensonvriendelijke bedrijfstakken die er zijn.

Onlangs verschenen twee Nederlandse boeken die de weg willen wijzen naar een groenere, eerlijkere mode: Mode voor morgen, van journalist en trendanalist Lynsey Dubbeld (37) – een boek dat vooral Nederlandse initiatieven op het gebied van verantwoorde mode beschrijft –, en Talking Dress van Marieke Eyskoot (35).

Eyskoot werkte voor de Schone Kleren Campagne die zich inzet voor betere arbeidsomstandigheden in de confectie-industrie en is medeoprichter van de groene modevakbeurs Mint. Zij richt zich duidelijk op (heel) jonge vrouwen. Haar boek – „mét shopgids en doe-het-zelftips” – staat vol meidenbladzinnen als „ik kauw op dit moment fijn op een fairtrade-chocoladeletter”.

Op zich geen onverstandige keuze: de tieners en vroeg-twintigers van nu zijn waarschijnlijk de grootste consumenten van ‘foute’ mode. Zij zijn opgegroeid met de fast fashion van ketens als H&M en Zara: razendsnel geproduceerde, goedkope mode naar de nieuwste trends. Voor hen is het doodgewoon om met een paar tientjes zakken vol kleren te kunnen kopen, die na een paar maanden weer net zo makkelijk worden afgedankt.

Maar zij zijn lang niet de enigen. Zoals Eyskoot in haar boek schrijft: „We kopen steeds meer kleren, en betalen er steeds minder voor”. Ook zestigers zijn gewend geraakt aan T-shirts van een paar euro. Maar goedkope mode bestaat eigenlijk helemaal niet, stelt Eyskoot. „Het is alleen zo dat iemand anders de prijs betaalt.”

Zowel Eyskoot als Dubbeld, wier boek nuchter en zakelijk van toon is, belicht het hele productieproces en de levenscyclus van kledingstukken: grondstoffen, productie (vaak in meerdere landen), distributie, marketing, media, winkels, winkelverlichting, tassen waarin de kleren mee naar huis gaan, dozen van online aankopen, dumpen en verbranden van onverkochte kledingstukken, wassen, weggooien.

Niet alleen aan niet-biologische katoen, ook aan bijna alle andere ‘gewone’ stoffen kleven grote nadelen. Bij de productie van zijde worden de rupsen levend gekookt. Polyester, de meest gebruikte stof voor mode, kost veel aardolie en vergaat pas na 200 jaar. Wol is op zich prima, maar om motten en schimmels te weren worden er veel chemicaliën aan toegevoegd. Et cetera.

‘Fast fashion’ is niet alleen de kwalijkste vorm, omdat de kleren weer snel worden weggegooid en de materialen doorgaans weinig duurzaam zijn. De modeketens zijn bovendien steeds op zoek naar fabrieken die nog sneller en nog goedkoper kunnen produceren, en dat heeft onvermijdelijk gevolgen voor de arbeidsomstandigheden en de lonen van werknemers.

Het wonderlijke is dat de loonkosten maar een paar procent van de totale prijs vormen. Een verdubbeling ervan maakt een jurkje van veertig euro maar een euro duurder, zo rekent Eyskoot uit.

Maar niet alleen op ‘fast fashion’ valt een hoop aan te merken. Ook de productie van de duurdere modemerken is lang niet altijd ‘schoon’. Beide auteurs komen onvermijdelijk tot dezelfde conclusie. Zoals Eyskoot schrijft: „We moeten de cirkel van kopen, kopen, kopen doorbreken”.

Volgens Eyskoot zijn we al op de goede weg. Dat de winst van H&M in 2010 daalde met 11 procent. En dat in Engeland in dat jaar door consumenten 21 procent minder bij goedkope ketens werd gekocht, ziet zij als bewijs dat er „een grote verandering aan de gang is”.

Je kunt je afvragen of dat waar is. De winst van H&M mag de laatste tijd tegenvallen, de omzetten blijven stijgen. Concurrent Inditex, het moederbedrijf van Zara, heeft zelfs helemaal geen last van financiële tegenvallers. Integendeel.

Greenpeace maakte deze week bekend dat uit onderzoek onder een aantal populaire kledingmerken naar voren kwam, dat nergens zo veel giftige stoffen in de kleding waren aangetroffen als bij Zara. Die zouden hormoonverstorend werken en mogelijk kankerverwekkend zijn.

Maar de grote ketens zijn niet meer alleen de boemannen. Bij C&A was in 2011 13 procent van alle kleding gemaakt van biologische katoen. Dit jaar is H&M voor het tweede achtereenvolgende jaar de grootste afnemer van biologische katoen ter wereld. Daarnaast investeert het bedrijf tot 2013 twee miljoen euro in de productie van ‘Better Cotton’: katoen die weliswaar niet biologisch is, maar wel minder water (normaal kost de teelt van een kilo katoen 8.000 liter) en pesticiden nodig heeft.

Hoewel je zulke initiatieven ook weer zou kunnen scharen onder greenwashing. Tegenover de kleding van biologische katoen en gerecyclede polyester die bij H&M in de rekken hangt, staan immers grote hoeveelheden kleding van viscose (waarvan de productie zeer slecht is voor het milieu), ‘gewone’ katoen en polyester. Bovendien is ook de kleding van verantwoorde stoffen niet per se gemaakt voor een lange levenscyclus, en zegt het gebruik van goed materiaal in principe niks over de omstandigheden waaronder kleren in elkaar worden gezet.

En dan zijn er natuurlijk nog de problemen bij de meer duurzame merken, waar beide auteurs overigens niet over reppen. Het Nederlandse jeansmerk Kuyichi was, zoals deze krant vorig jaar schreef, lange tijd niet zo groen en fair trade als het zich voordeed. Op rankabrand.nl, een site die de duurzaamheid van merken aangeeft, scoort het nu een C. Dezelfde score als G-Star, maar minder dan bijvoorbeeld het Zweedse Cheap Monday.

Enfin, zoals Lynsey Dubbeld al in haar inleiding stelt: „Dat duurzaamheid hip & happening is, maakt het er gek genoeg helemaal niet makkelijker op”.

Wie een echt duurzame modestijl nastreeft, vindt in de boeken van Dubbeld en Eyskoot genoeg tips: tweedehands kleding; feestjes waarbij vrouwen kleren met elkaar ruilen; labels die geheel verantwoord te werk gaan – zoals Studio Jux en Elsien Gringhuis, al is dat laatste nog een echt nichemerk. Wie echt wil afkicken van kopen kan zich aansluiten bij de Free Fashion Challenge, waar mensen beloven een jaar helemaal geen nieuwe kleren te kopen. Nederlanders hebben gemiddeld 70 kledingstukken in de kast – dus dat zou te doen moeten zijn.

Eyskoot propageert ook verstellen, vermaken, zelf maken. Haar ecoblijheid grenst soms aan het religieuze. Haar favoriete sinterklaascadeau, zo schrijft ze, was een klosje biologisch naaigaren. „Nu kan ik met een goed gevoel knopen aanzetten en gaten repareren.” Ze is zo onder de indruk van de wol die ze heeft uitgezocht van een schaap „dat het goed heeft gehad”, dat ze die „bijna geen geweld durft aan te doen met mijn beginners-breipraktijken”.

Maar wat moeten mensen die wel graag in de laatste mode lopen? Want hoe hard Dubbeld en Eyskesn ook roepen dat eerlijke merken allang niet meer suf en lappig zijn, de meeste halen het qua hipheid nog altijd niet bij het gemiddelde Zara’tje.

Eyskoot gelooft heilig in de macht van de consument. Ze raadt aan winkelpersoneel voortdurend te vragen naar de herkomst van kleding. „Ze zullen het antwoord misschien niet weten, maar als ze die vragen constant krijgen, zullen ze het toch aan hun baas moeten vragen – en zo gaat het balletje rollen.”

De meest geruststellende opmerking voor modeliefhebbers staat in het boek van Dubbeld. Grote modeketens willen, door hun wekelijkse nieuwe aanvoer, ons doen geloven dat we meerdere keren per seizoen nieuwe kleren nodig hebben. Dat heeft tot gevolg gehad dat ook designermerken tegenwoordig bijna allemaal tussencollecties hebben.

Maar gek genoeg heeft dat allemaal vrij weinig invloed gehad op de de duur van trends. Een gemiddelde modetrend, zo citeert Mode voor morgen een lector van de Saxion Hogeschool Enschede, duurt drie jaar. En dan nog is een kledingstuk niet per se meteen ouderwets.

Het kopen van duurdere, kwalitatief betere mode hoeft dus meteen te betekenen dat het budget meteen omhoog moet. Nou is kwaliteit, een woord dat vaak valt in de boeken van Eyskoot en Dubbeld, een lastig begrip: bij veel designermerken bepaalt het label en de marketing wel een erg groot deel van de prijs; en ook chique stoffen zijn bepaald niet immuun voor slijtage. Maar het zou natuurlijk al een hele stap vooruit zijn als aan de aankoop van kleding voortaan wat meer zorg wordt besteed.

Titel Mode voor morgen Auteur Linsey Dubbeld Uitgever Mooi media Prijs € 29,95

Titel Talking dress Auteur Marieke Eyskoot Uitgever Gottmer/Altamira Prijs € 19,95