Een evolutionair hoofdpijndossier

Charles Darwin heeft zich nooit gewaagd aan de vraag hoe ons taalvermogen is ontstaan. Dat is maar goed ook want taal lijkt zich aan de wetten van de natuurlijke selectie te onttrekken.

Dat Charles Darwin als jong ‘naturalist’ in 1831 zijn befaamde wereldreis op HMS Beagle ondernam, had alles te maken met de depressieve natuur van de kapitein van het schip. Deze Robert Fitzroy vreesde de eenzaamheid van de eindeloze oceaan – en met reden. Had niet, zoals wel meer kapiteins overkwam, ook zijn voorganger als commandant van de Beagle ver van huis de hand aan zichzelf geslagen? De aristocratische Fitzroy zocht daarom een reisgenoot van stand – scheepsvolk telde uiteraard niet mee – waar hij tegenaan kon praten en die hem kon opmonteren. Het werkte. Ondanks veel onderlinge strubbelingen kwamen beide heren vijf jaar later veilig thuis – Fitzroy met een schat aan hydrografische gegevens, Darwin met de basis van wat zijn levenswerk zou worden.

Uiteindelijk zou Fitzroy in 1865 na een glansrijke carrière alsnog zelfmoord plegen, terwijl Darwin zich tot een voorzichtige, ietwat moeizame en door kwalen geplaagde man ontwikkelde, die eindeloos poetste en schaafde voor hij in 1859 officieel met zijn evolutieleer naar buiten durfde komen. Het is maar goed dat hij nooit is toegekomen aan de vraag hoe ons taalvermogen is ontstaan, want dan was het er misschien wel nooit van gekomen. Het staat immers als een paal boven water dat taal een biologische eigenschap is, maar deze meest menselijke van alle kenmerken spot tegelijkertijd met de wetten van de natuurlijke selectie, de hoeksteen van Darwins evolutieleer.

Natuurlijke selectie verklaart hoe levensvormen optimaal aan hun leefomgeving aangepast raken, en waarom soorten de strijd om de beschikbare ruimte en middelen winnen of verliezen. De motor van dat proces zijn toevallige veranderingen in het DNA van een individu. Dat vertoont dan een nieuwe eigenschap, of een bestaande wordt heel erg versterkt of juist zwaar afgezwakt. Het is een ruw, blind mechanisme. Meestal levert het dan ook nadelige of zelfs niet-levensvatbare resultaten op. Maar de enkele keer dat zo’n mutatie positief uitpakt, heeft de bezitter ervan een bovengemiddelde kans om in leven te blijven en zich voort te planten. Dat geldt qualitate qua ook voor zijn nageslacht, zodat zo’n bijzondere eigenschap zich op den duur over de hele soort zal verspreiden en gewoon wordt.

Nu is op soortniveau het evolutionaire voordeel van ons taalvermogen zonneklaar: door taal kunnen mensen kennis met elkaar delen, voortbouwen op het werk van anderen en verworvenheden doorgeven aan volgende generaties, terwijl ook de intelligentste dieren zonder taal gevangen zitten in het isolement van hun eigen schedel. Een dier leert alleen door directe ervaring. Dankzij het taalvermogen vormen al onze hersenen gezamenlijk een gigantisch superbrein, ongeveer zoals netwerktechniek uit de geïsoleerde, beperkte pc’s van een kwart eeuw geleden het bijna alwetende en almachtige internet smeedde. Het evolutionaire voordeel van taal is zo gigantisch, dat we inmiddels alle andere soorten dreigen te verdringen.

Maar natuurlijke selectie begint altijd bij één individu, dat zelf onmiddellijk profijt heeft van zijn bijzondere nieuwe eigenschap. En wat heb je in je eentje aan een taalvermogen? Net zo weinig als Fitzroy in zijn uppie op zee: hij wist dat aanspraak het verschil tussen leven en dood kon betekenen, maar daarvoor had hij Darwin nodig, een goede verstaander die terugpraatte. Een taalvermogen wordt pas echt operationeel als anderen er ook over beschikken, en dat is iets waar Darwins natuurlijke selectie geen raad mee weet.

Iets dat uit zoveel, ieder voor zich uiterst complexe onderdelen bestaat als taal, ontstaat bovendien niet in één klap. Dat is net zo ondenkbaar als dat door het leeggooien van een doos lego zomaar een model van de kathedraal van Chartres ontstaat. Het moet stukje bij beetje zijn gegaan, waarbij elke nieuw onderdeeltje zijn eigen onmiddellijke evolutionaire voordeel had – denk bijvoorbeeld aan vaardigheden als zang, ritmegevoel, subtielere mimiek, speciale vormen van geheugen en een snelle rekeneenheid die zich ontwikkeld heeft voor een typisch menselijke vaardigheid als gericht gooien. Pas achteraf, en vermoedelijk veel korter geleden dan vaak wordt aangenomen, moeten die onderdelen zo innig zijn gaan samenwerken, dat onbedoeld iets geheel nieuws ontstond. Het verschijnsel dat wij nu taal noemen.