Een Brits popkartel

Beatles of Stones? Het was ooit een lakmoesproef, en de twee bands deden dan ook van harte alsof ze bloedige concurrenten waren. Maar ondertussen brachten ze keurig om beurten hun platen uit zodat de twee bands de nummer 1-positie zo min mogelijk zouden betwisten en ze luisterden goed naar elkaar, gezamenlijk maar onafhankelijk, de Britse popmuziek voortstuwend in de vaart van de popgeschiedenis.

Dus er is eigenlijk geen reden om het verhaal van de twee bands samen te pakken in één geschiedenis, zoals Flip Vuijsje doet in John, Paul, Keith & Mick. Toch was het een goed idee, niet omdat hij iets nieuws zegt over Beatles of Stones (dat zou ook opmerkelijk zijn, gezien de hoeveelheid boeken die die er over de bands is geschreven, en het is ook niet Vuijsjes bedoeling), maar omdat hij een plezierig levendig beeld schetst van de manieren waarop de Britse popmuziek volwassen werd.

Hij begint bij de Rolling Stones, die het veel langer volhielden, maar die in het begin een achterstand hadden. The Beatles waren eerder op de radio te horen, ze hadden eerder een platencontract en ontdekten de Amerikaanse rhythm & blues als eersten: ‘They’ve beaten us to it,’ moppert Keith Richards wanneer hij de mondharmonicasolo in ‘Love me Do’ hoort. Toen de band uit Liverpool al hit na hit scoorde, hadden de Stones nog niet eens een label. Mick & Keith kozen de liedjes uit die ze zouden coveren, terwijl John & Paul gezamenlijk het ene na het andere succesnummer schreven – zelfs eentje voor de Stones: ‘I wanna be your man’.

Het was terecht – niet omdat de Beatles beter waren, aan dat soort meningen waagt Vuijsje zich niet (al proef je hier en daar zijn heimelijke voorkeur voor de Stones) – maar omdat de Beatles de muziek aanvankelijk veel serieuzer namen. Voor hen was er niets anders dan muziek, met een ijzeren toewijding gingen ze aan de slag. De Stones namen hun opleiding serieuzer, ze waren ondanks de ruige reputatie ook minder working class dan drie van de vier Beatles. Mocht het misgaan, dan konden ze altijd nog iets anders met hun leven doen.

Dat was voor de Beatles nooit een optie. Ze zochten snel een professionele manager, zelfs al vonden ze hem niet erg sympathiek. En drummer Pete Best werd vervangen door de betere Ringo Starr zodra het kon, terwijl de Stones het langer volhielden met Brian Jones. En toen die uit de band werd gewerkt, was het dan ook een stuk pijnlijker – korte tijd later lag hij dood in een zwembad.

Maar inmiddels konden er ook bij hun toewijding geen vraagtekens meer gezet worden – met dank aan de manager, Andrew Loog Oldham, die de kunst afkeek van Beatles-manager Brian Epstein, en aan Mick Jagger die ook over een zakelijk instinct bleek te beschikken.

Toen de Beatles ermee ophielden, moest de beste periode van de Stones nog komen – Vuijsje komt ver met de verklaring van dit verschil, want daar is het hem in dit boek om te doen: waarom spatten de Beatles na acht jaar uit elkaar en vieren de Stones dit jaar hun vijftigjarig jubileum?

En ondertussen zien we hoe de popmuziek veranderde, en ook de manier waarop er geld mee werd verdiend; want dat John en Paul een liedje aan de Stones ‘schonken’ is maar de helft van het verhaal. Het was een fraai en ook superieur gebaar, maar toen het de hitlijsten in schoot, waren de royalty’s natuurlijk niet alleen voor de uitvoerenden maar ook voor de auteurs.

Vuijsje laat het allemaal zien in schetsen, flarden en fragmenten waaruit vooral blijkt dat de verhalen van Beatles en Stones in de tijd zijn geworteld, en toch grotendeels los van elkaar staan. Dat is geen enkel bezwaar, want hij hangt met gezag en liefde boven de muziekgeschiedenis van de jaren zestig en laat zien hoe twee jongensgroepen de wereld konden veranderen.