Dood, en toch bij de levenden

Ronald Giphart: De wake. Podium, 176 blz. € 17,50****

Je hoort het vaak: iemand krijgt een ongeluk en ziet zijn leven in een flits aan zich voorbijtrekken. Van zo’n film horen we alleen iets als iemand het ongeluk overleeft. Maar zouden doden ook zo’n film zien? We weten het niet. Toch sijpelen er berichten door van gene zijde.

Na Leo Pleysier en Joke Hermsen laat ook Ronald Giphart een dode spreken. In het titelverhaal van De wake stort een man van een berg af. Zo nuchter als hij deze doodsmak beschrijft, zo nuchter klinkt ook het vervolg. De familie rouwt, vrienden en collega’s waken een nacht bij hem en dan wordt hij gecremeerd.

Hij ziet en hoort alles, en geeft het allemaal aan ons door, maar ligt er zelf roerloos bij. Hij beweert geen verdriet te hebben, maar vindt het toch wel spijtig dat hij niets meer met iemand kan delen. In het tweede verhaal draait het om een comapatiënt. Familie en vrienden verdringen zich om het ziekenhuisbed van de 14-jarige Koos die een ongeluk heeft gehad. Hij ligt schijnbaar vegetatief aan de beademing, maar zijn brein werkt op volle toeren. Terwijl de familie kakelt, legt hij ons uit hoe het kan dat hij nu ‘op apegapen’ ligt. En passant brengt hij ook het stiekeme overspel van zijn moeder aan het licht. Van zo’n kraakheldere comapatiënt hoor je niet vaak. Het meest opmerkelijke personage in deze bundel is het mensenhart dat Giphart laat spreken in het slotverhaal. Met aanstekelijk enthousiasme doet het verslag van zijn werkzaamheden – aanvankelijk voor een meisje dat nogal mannengek is. Hij pompt niet alleen dagelijks 15.000 liter bloed voor haar rond, maar meent ook, meer dan haar brein, de hoeder te zijn van haar erotische ervaringen.

Als het meisje na een ongeluk in de kreukels ligt, is haar hart het enige dat het doet. Haar hersens zijn ermee gestopt. ‘Er kwam geen enkele marsorder meer uit die gasten.’ Het zo vitale orgaan wordt al snel overgeplaatst – in een ouder mannenlichaam. Eerst is hij beledigd. Maar als het nieuwe lichaam na de transplantatie vooral seksueel opleeft, ziet hij dat als zijn eigen verdienste en verzoent hij zich met de situatie.

In De wake gaat het in alle gevallen om overgangssituaties. Zou het misschien toch niet zo kunnen zijn dat een dode nog een tijdje iets kan waarnemen, dat een comapatiënt van alles kan zien en horen en dat een transplantatiehart een karakterverandering teweeg kan brengen? We weten het niet.

Er is iets ontroerends aan deze verhalen. Ze gaan over aandoenlijke types die er niet echt bijhoren. Ze blijven welgemoed doorpraten – maar ze blijven alleen achter.