Doet Kamer iets met openheid ministers?

De voorpret over onthullingen was tintelend, maar zoals dat soms gaat in de Tweede Kamer: als het kabinet aan de wens tot openbaarmaking tegemoet is gekomen, blijft het stil. Al in het debat over de verkiezingsuitslag op 20 september vroeg D66-fractievoorzitter Alexander Pechtold aan beoogd minister-president Mark Rutte (VVD) om extra informatie over zakelijke en financiële belangen van staatssecretarissen en ministers. Na wat luchtboksen zei Rutte ja. Op 26 oktober volgde een bevestigingsbrief. Op 12 november een brief met de belangen en nevenfuncties van nieuwe bewindslieden. Maar opvallend: niks over hoofdfuncties.

Nederland heeft hier geen reputatie te verliezen. Politici zijn goed van vertrouwen. In elkaar. Dat zie je ook bij de trage invoering van wetgeving over openheid rond de financiering van politieke partijen en de rol en omvang van particuliere geldschieters.

Kan het beter? Wie in de Verenigde Staten (onder)minister wordt moet hoofd- en adviesfuncties melden, plus financiële informatie over zijn vermogen (binnen ruime bandbreedtes) en over betalingen die hij in een periode voor zijn benoeming heeft ontvangen voor lezingen, advieswerk en dergelijke. En bij welke bedrijven en organisaties dat was. Ander voorbeeld: in een breuk met de traditie gaven ministers in het Italiaanse kabinet van Mario Monti dit jaar gedetailleerde opgaven van hun huizenbezit.

Daar steekt deze zin uit de brief van Rutte over de zakelijke belangen van het kabinet magertjes bij af: „Tot slot hebben enkele bewindslieden gemeld dat (delen van) een woning in hun bezit of in het bezit van hun partner worden verhuurd. Ik heb als formateur geoordeeld dat dit geen relevante zakelijke belangen zijn die een bijzondere regeling vergen.”

Niet openheid, maar privacy staat in Nederland voorop. Niet de belangen staan centraal, maar de manier waarop ze aan het oog worden onttrokken. Dus wordt de lege BV van staatssecretaris Wilma Mansveld (Milieu en Infrastructuur, PvdA) ontbonden, besteedt staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) zijn aandelen uit aan een vermogensbeheerder en blijft staatssecretaris Co Verdaas (Economische Zaken, PvdA) in een band spelen, maar „alleen als zijn werkzaamheden dat toelaten”.

En bij de enige bewindspersoon bij wie je werkelijk vraagtekens kunt zetten over een complex netwerk, gaat het – heel Nederlands – over geld. Ja, staatssecretaris Martin van Rijn (Volksgezondheid, PvdA) verdiende als topman van vermogensbeheerder PGGM plus nevenfuncties misschien wel meer dan een half miljoen euro bruto. Relevanter is dat hij er met tweederde op achteruit gaat om de publieke zaak te dienen. Dat is nog eens een koopkrachtplaatje.

Maar Van Rijn neemt verantwoordelijkheid precies op het terrein van de gezondheidszorg waar zijn hoofdfunctie lag. PGGM beheert het zorg- en welzijnpensioenfonds. En waar hij meerdere nevenfuncties bekleedde, zoals bij Universitair Medisch Centrum Utrecht en woonzorgcombinatie Espria/Woonzorg Nederland. Hij moet straks beslissen over maatregelen die de bestuurders van het pensioenfonds en de bestuurders bij zijn nevenfuncties direct raken. Dat hoeft geen onoverkomelijk probleem te zijn. Maar een Kamerlid moet toch willen weten hoe de staatssecretaris en Rutte de oplossing van een potentieel belangenconflict voor zich zien. Daarom houdt het Amerikaanse Congres hoorzittingen voorafgaand aan benoemingen. Moet de Kamer ook doen.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.