Brieven

Het Groene Boekje liegt over zijn witte spellingsrivaal

Stond er in een stukje op de taalpagina’s van NRC Handelsblad (21 november), zonder de vermelding wie het geschreven had, dat de witte spelling terrein verliest. Daar hoorde dan nog bij dat dat aan de groene spelling zou zijn. Maar wie doet de eindredactie van de taalpagina’s die deze week in NRC Handelsblad verschijnen? Ludo Permentier. En die heeft de spellingregels geformuleerd van het laatste Groene Boekje.

Permentier is in dienst van de Nederlandse Taalunie, die eindverantwoordelijk is voor de groene spelling. En ook Rik Schutz staat op de taalpagina’s nog vermeld als eindredacteur, samen met zijn vrouw. Schutz verricht eveneens werkzaamheden voor de Taalunie. Het is zeer de vraag of je als kwaliteitskrant aan zulke verstrengelde belanghebbenden je journalistieke pagina’s beschikbaar moet stellen; laat ze een ingezonden brief schrijven.

En het klopt ook niet dat de witte spelling, vastgelegd in het Witte Boekje, terrein verliest aan de groene spelling. Er wordt gesteld dat NRC Handelsblad tussen 2006 en 2012 in totaal 34 keer ‘het groene kerkenraad’ spelde en maar 7 keer ‘kerkeraad’. Daarmee wordt gesuggereerd dat ‘kerkeraad’ de witte spelling zou zijn. Maar in de witte spelling mag je zowel ‘kerkeraad’ als ‘kerkenraad’ spellen, want in de witte spelling is de tussen-n vrijgelaten.

Het ergste is nog dat de Taalunie een nieuw Groen Boekje aan het samenstellen is, dat in 2015 moet uitkomen. Mijn advies aan de minister die erover gaat, luidt: houd het tegen. Het is pure geldverspilling van een instantie die bij spellingwijzigingen in 1995 en 2005 bewezen heeft de spelling en de taalgebruikers niet te snappen. Bovendien ligt er een goed wit boekje, waarvan het Genootschap Onze Taal de hoofdsamensteller is. En och, als men zo gehecht is aan de kleur groen, mag dat witte boekje gerust ook een groene kaft krijgen.

Wim Daniëls

Medesamensteller van het Witte Boekje, Eindhoven

Gedateerde ideeën van Baudet over

pickup artists

In zijn commentaar over de pickup artist community poogde jurist, historicus, schrijver en pianist Thierry Baudet misogynie weer salonfähig te maken (Opinie, 16 november). Het boek van Neil Strauss dat deze subcultuur beschrijft, dateert uit 2005. De meeste van zijn ideeën zijn daar ook blijven steken. Vrouwen weten de pickup artists er intussen zo uit te halen in een willekeurige uitgaansgelegenheid. Zo herinner ik mij een ongelukkig voorval uit 2008 met een man met een verrekijker, om op te vallen. Bovendien weet ik dat Baudet zijn gedrag niet hoeft aan te passen om vrouwen „subtiel te beledigen”. Als vrouw zou ik graag een lans breken voor de aardige en interessante man, maar dat is een ander verhaal.

Als iemand die de krant nog steeds als bron van zinvolle informatie ziet, hoop ik dat u een columnist kan vinden die cultuurkritiek kan leveren zonder loze persoonlijke anekdotes of egomaan gewauwel.

M.F.Bulhof

Den Haag

Haegens gaat voorbij aan werknemersemancipatie

Wat een ongericht en vaag pleidooi hield Koen Haegens tegen ‘het nieuwe werken’ (Opinie, 16 november). Zijn stuk is een algemene litanie tegen het ervaren van werkdruk in privétijd. De conclusie luidt dat dit leidt tot ellende. De werknemer krijgt een burn-out van de onbalans tussen werk en privé. Wel zegt Haegens dat het fijn is om onder werktijd op een terras te kunnen zitten.

Haegens gaat geheel voorbij aan de groeiende emancipatie van werknemers. Schaarste op de arbeidsmarkt en accelererende technologische toepassingen nemen een dermate hoge vlucht dat het nieuwe werken de moderne werknemer autonomer maakt. Het is niets minder dan een zegen voor de moderne werkende mens dat dit ook het einde betekent van de aanwezigheidsplicht op de fabriek of het kantoor. Het enige wat de werknemer hiertegenover moet stellen, is een grotere flexibiliteit.

Dit lijkt mij een hele verbetering!

David Hulsenbek

Utrecht

Prestatie van Reiter was groter dan die van Brill

Naar aanleiding van Paul Steenhuis’ stuk over de Brilltentoonstelling in Leiden (NRC Handelsblad, 16 november), merk ik het volgende op.

Drukker Evert-Jan Brill zou in 1855 Het Gebed des Heeren hebben uitgebracht in veertien talen, als staaltje van zijn kunnen. In Letland kocht ik ooit een klein boekje met de titel The Lord’s Prayer in 25 languages en de toevoeging This book is dedicated to John Reiter, clergyman and writer, who in 1662 published in Riga the Pater Noster in forty different languages.

Dit zou dan een vroegere en grotere prestatie zijn geweest dan die van Brill, ware het niet dat het Reiter meer ging om het drukken van veel verschillende schriftsystemen dan om het presenteren van veel vertalingen.

Ben Hoffschulte

Leuven, België

    • Wim Daniëls
    • Ben Hoffschulte
    • M.F. Bulhof
    • David Hulsenbek