Beroemd fotograaf doodde vader. Of niet?

Austin Ratner: The Jump Artist. Viking, 271 blz. € 18,60 **

Philippe Halsman, fotograaf. Misschien gaat er niet meteen een bel rinkelen, maar wie zijn naam intoetst op Google Afbeeldingen zal veel van zijn foto’s herkennen. In de jaren veertig en vijftig fotografeerde Halsman voor bladen als Life veel Hollywoodsterren en beroemdheden als Albert Einstein en Salvador Dalí. Hij is vooral bekend geworden met foto’s waarop zijn modellen springend staan afgebeeld.

De Amerikaan Austin Ratner (1971) heeft zijn debuutroman aan deze fotograaf gewijd. In The Jump Artist concentreert hij zich niet op de hoogtijdagen van Halsman, maar op de jaren daarvoor, toen Halsman het middelpunt vormde van een geruchtmakende moordzaak.

Hoofdpersoon Philippe Halsman werd in 1906 geboren in Letland, als zoon van een joodse tandarts. Hij was begin twintig toen hij tijdens een wandelvakantie in de Oostenrijkse Alpen zijn vader verloor. Een ongeluk, hield hij vol. Zijn vader maakte een lelijke val, maar leefde nog toen Philippe hulp ging halen. In de minuten daarna zou zijn vader door een passant zijn beroofd en vermoord.

De Oostenrijkse autoriteiten hechtten geen geloof aan Philippes verhaal. Ze gingen ervan uit dat hij zijn vader had vermoord en Halsman werd veroordeeld.

The Jump Artist begint wanneer Halsman in de gevangenis zit, in afwachting van de behandeling van het hoger beroep. Hoogtepunt van dit deel van de roman is het bezoek dat Halsman samen met zijn advocaat brengt aan de patholoog-anatoom. Deze arts blijkt het hoofd van Halsmans dode vader te hebben bewaard en laat de zoon met satanisch genoegen de verschillende verwondingen zien.

Ondanks scènes als deze is The Jump Artist een onbevredigend boek. Jammer, want het materiaal is interessant genoeg. Halsmans ambivalente relatie met zijn vader is op zich al een goudmijn, de rechtszaak is spannend en het achteloze, blijkbaar volkomen ingeburgerde antisemitisme van de Tiroolse bevolking en autoriteiten is schokkend.

Ratner had de beschikking over Philippes correspondentie met diens verloofde, hij is de krantenarchieven ingedoken en raadpleegde de archieven van Philippes advocaat. Hij heeft zich dus uitstekend gedocumenteerd, maar Halsman wil maar geen coherent personage maken. Zijn gedachten, zijn uitspraken, zijn gedrag, zijn herinneringen – je maakt het allemaal van dichtbij mee, maar toch ontstaat er geen goed beeld van de man. Alsof Ratner de lijm die alle fragmenten met elkaar moet verbinden heeft vergeten te gebruiken.

Je zou willen dat Ratner voor een andere aanpak had gekozen, en de archiefstukken over de rechtszaak had gebruikt als bouwstenen voor een non-fictieboek. Het resultaat had net zo interessant kunnen zijn als The Suspicions of Mr Whicher en Mrs Robinson’s Disgrace van Kate Summerscale: boeken waarin op basis van archiefonderzoek van één zaak (respectievelijk een moord en een echtscheiding) een meeslepend beeld van een heel tijdperk wordt opgeroepen.

Maar Ratner heeft gekozen voor een roman, waarbij hij dan ook nog eens met nadruk literair probeert te zijn, iets waar debutanten vaker last van hebben. Mooie en overtuigende beeldspraak wordt afgewisseld met vergezochte metaforen en clichés.

Ook de beroemdheden die figureren komen niet echt tot leven. Diverse malen fotografeert Halsman een al dan niet springende Marilyn Monroe. ‘There had been a whiff of tragedy about Marilyn from the beginning,’ lezen we wanneer Halsman aan zijn eerste ontmoeting met Monroe terugdenkt.

Ook zo’n zin bewijst dat Ratner als schrijver nog het een en ander moet leren. Als je beroemdheden tot leven wilt wekken in romans, moet je je lezer wakker schudden, en niet je toevlucht nemen tot clichés.