Bankensector met obesitas

Nederlandse banken hebben miljarden euro’s voordeel door ‘verborgen subsidie’. Ze lenen goedkoper en nemen meer risico: de overheid redt ze toch wel.

Amsterdam. Grote banken zijn te belangrijk om failliet te laten gaan. De angst dat het omvallen van een bank de samenleving ontwricht is immers groot. Maar welk voordeel halen banken uit de wetenschap dat de overheid een faillissement altijd zal willen voorkomen? Is dat te vertalen in een geldbedrag?

Die vraag stond centraal voor onderzoeker Rens van Tilburg. Hij deed namens Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (Somo) de eerste serieuze poging de „verborgen subsidie” aan het Nederlandse bankwezen in kaart te brengen. Het Financiële Overgewicht van Nederland, een gisteren gepubliceerd rapport, analyseert de miljardensteun aan de grootste vier banken in Nederland.

Belangrijkste conclusie: dankzij de impliciete staatssteun kunnen ABN Amro en SNS Reaal meer dan 2 procentpunt goedkoper lenen dan banken zonder dit voordeel. Voor Rabobank en ING is dat 1 procentpunt. De Rabobank, de enige grootbank die in de crisis geen expliciete steun van de Nederlandse overheid kreeg, profiteert in absolute zin zelfs het meest: minimaal 1,7 miljard euro in 2011.

Het totale voordeel voor de banken taxeert Somo in 2011 op 4 tot 12 miljard euro, afhankelijk van de rekenmethode. Het bedrag is berekend aan de hand van de geschatte rentevoordelen die banken hebben. Uit het onderzoek blijkt dat de lonen in de Nederlandse bankensector de afgelopen jaren aanzienlijk sterker stegen dan in de rest van de samenleving, maar ook dan in de financiële sectoren in andere landen – op IJsland na. In 1987 verdiende een Nederlandse bankier gemiddeld 17 procent meer dan een doorsnee werknemer. Dat is opgelopen tot ruim 81 procent in 2011. De kredietcrisis heeft niet tot matiging van salarissen geleid, zo blijkt uit gegevens van het CBS. „Dat is opmerkelijk”, zegt Van Tilburg. „Als je ziet hoe groot het financieringsvoordeel is van banken, dan wordt het een publiek belang om kritisch naar de loonontwikkeling te kijken.”

Het is al langer bekend dat Nederland een uitzonderlijk grote financiële sector heeft. De gezamenlijke balans van ING, Rabobank, ABN Amro en SNS bedraagt bijna vier keer het nationaal inkomen. Wat zijn de gevolgen daarvan voor de reële economie? Onderzoek uit het verleden zag vooral voordelen. Maar afgelopen zomer plaatste een IMF-studie kanttekeningen bij die positieve analyse. De grens waarboven de financiële sector de economie belemmert, ligt volgens die studie rond een kredietverlening aan de private sector van 110 procent van het bruto nationaal product. „Alle landen die in financiële problemen kwamen, zitten boven deze grens, ook Nederland”, stelt Van Tilburg.

Snelle groei van de financiële sector gaat ten koste van de rest van de economie doordat het mensen en middelen wegtrekt van andere sectoren.

Hoe ook naar banken gekeken wordt, Nederlandse instellingen scoren slecht als het gaat om de risico’s die de instellingen nemen. Banken hebben bovengemiddeld veel vreemd vermogen en relatief kleine buffers. Het geld dat zij aantrekken is voor relatief korte periodes, waardoor ze kwetsbaarder zijn voor stemmingswisselingen op de markten.

Ondanks de kredietcrisis zijn sommige banken sinds 2008 toch groter of complexer geworden. Zo is de balans van Rabobank met ruim een kwart in omvang toegenomen. Na de crisis zijn in Groot-Brittannië schotten gezet tussen nuts- en zakenbanken. In de VS wordt het spaarbanken verboden te handelen voor eigen rekening. En onlangs kreeg de Europese Commissie het advies de grootste Europese banken op te splitsen in een consumententak en een handelstak.

Nederland was nog niet zo ver. Op initiatief van de Tweede Kamer is een commissie benoemd die een „coherente visie op de financiële sector” moet ontwikkelen. Die commissie staat onder leiding van Herman Wijffels, voormalig Rabobank-topman. Het onderzoek van Somo is ook bedoeld om de commissie ideeën aan de hand te doen. Somo is op tijd: de eerste bijeenkomst van de commissie moet nog plaatsvinden.