Architect van het kleine

En weer is een architect de hoofdpersoon in een roman. Christiaan Weijts’ Euforie is vol en ernstig – en hij draait zich erin vast.

Ooit waren architecten heroïsche wezens. Als George Costanza, de emblematische loser uit de jaren negentig-sitcom Seinfeld zich beter wilde voordoen dan hij was, zei hij met een veelbetekenende blik: ‘I’m an architect.’ Want in dat beroep kwamen kunstzinnigheid en praktische kennis samen. Architecten zijn wel creatief, maar niet wereldvreemd: het vleesgeworden ideaal van de jaren negentig.

Anderhalf decennium later is het crisis en ‘elke economische crisis merken architecten het eerst en het langst’, stelt Johannes Vermeer, de hoofdpersoon van Euforie, de nieuwe roman van Christiaan Weijts (1976). Zo is de architect geruisloos getransformeerd – hij was het symbool van de hoogconjunctuur en is dat nu van de laagconjunctuur. Hij verhuist dus in een moeite door van de sitcoms op televisie naar de literatuur. Arnon Grunberg gebruikte dit voorjaar in De man zonder ziekte al een architect om de kloof tussen idee en praktijk uit de doeken te doen, Kees ’t Hart bouwde zijn recente Hitchcockroman Hotel Vertigo rondom een architect.

In Euforie gebruikt Christiaan Weijts de architect Johannes Vermeer om public issues en personal troubles bij elkaar te brengen. Zijn hoofdpersoon (een verre nazaat van de schilder) wordt op een zonnige julidag aangehouden wanneer hij met een geleend busje door Den Haag rijdt. ‘Kom mee’, zegt de agent en leidt hem de tramtunnel op de Prinsengracht binnen, waar zich een ramp heeft voltrokken: bij een aanslag van islamitische terroristen zijn veertig doden gevallen. Vermeer helpt met de reddingswerkzaamheden, het busje doet dienst als ziekenvervoer. Tussen de gewonden meent Vermeer zijn jeugdliefde Isa te zien.

Om redenen die hij zelf ook niet helemaal begrijpt, verzwijgt Vermeer zijn rol bij de reddingswerkzaamheden, ook als zijn bureau een half jaar meedingt naar de opdracht een monument voor de slachtoffers te maken. Een referendum zal uitmaken welk ontwerp het winnende wordt. Het geeft Weijts (ook columnist van NRC Handelsblad en nrc.next) de gelegenheid om breed uit te waaieren, naar tal van maatschappelijke kwesties: privacy, de macht van de media, commercialisering, architectuur, fundamentalisme, engagement, terrorisme, duurzaamheid, democratie en politiek. Vermeer is getrouwd met de populairste weervrouw van het land, Celine, een relatie die ernstig in verval raakt wanneer zijn lang verzwegen heldenrol bij de aanslag toch bekend wordt en zijn vrouw niet meer weet wanneer ze hem nog kan geloven.

Daardoorheen vertelt Weijts het verhaal van die jeugdliefde Isa. Zij is het schoolvoorbeeld van het beeldschone (kijk jongens, die borsten!), vrijgevochten, anarchistische meisje op het kakkersgymnasium aan wie de jonge Vermeer zijn hart verliest. Dat gebeurt in de loop van een winterkamp, een Romereis en een mooi beschreven avond in het schemergebied tussen jeugd en volwassenheid, met wiet en een graslandje aan het water naast een treurwilg.

Zo is Euforie behalve een maatschappelijke roman ook een Bildungsroman waarin opgroeiende jongens zich laven aan kunst, drank en drugs. Passages tjokvol verwijzingen naar klassieke en minder klassieke muziek en literatuur – zoals de voor elke (ex-)adolescent onweerstaanbare eerste regels van Fernando Pessoa’s ‘Sigarenwinkel’: ‘Ik ben niets/ Ik zal nooit iets zijn/ Ik kan ook niet iets willen zijn/ Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.’

Het is veel, het is ernstig. En Christiaan Weijts heeft zich er danig in vastgedraaid. Want de steeds weer terugkerende observaties over architectuur of de stand van het land geven Euforie een onontkoombare looiigheid. Pagina na pagina werkt Weijts aan een bouwwerk – zijpaadje fraude, subplot bedreiging – dat maar niet verleidelijk wil worden. Daarbij helpt het niet dat het gros van die opmerkingen allerredelijkst van aard zijn: ‘Tijdens nationale rampen speelt onze nationale omroep ineens CNN. Zulke vertoningen kenmerken zich altijd door een hectische sfeer waarin bij gebrek aan concrete feiten eindeloos dezelfde flarden herhaald worden.’

Helemaal waar natuurlijk, maar het tekent het gebrek aan gekte in Euforie, zowel in het verhaal als in de stijl. Maar heel zelden veer je op, bijvoorbeeld wanneer Vermeer bijkans hysterisch reageert wanneer hij op tv meent te zien dat zijn echtgenote (dan al bij hem weg) het weerbericht met harde tepels presenteert. Op dat soort momenten zie je weer even de Christiaan Weijts van zijn debuut Art. 285b. (Anton Wachterprijs 2006), een roman die juist spannend was in de wijze waarop hij de onredelijkheid van zijn personages de ruimte gaf.

In zijn nieuwe roman heeft Weijts geprobeerd de schwung onder te brengen in cursieve zinnen die Vermeers geheime gedachten moeten weergeven (‘Om precies te zijn: zo groot als de kans dat je een fonkelende diamant aantreft in een varkensreet’), maar die worden overwoekerd door de overdosis al te gewone woorden die eromheen staan. Bovendien lijken die cursieve mededelingen een uitbarsting aan het slot te beloven, maar die blijft uit.

Uit de compositie is Weijts ook niet helemaal gekomen – aan het eind van de roman heeft hij heel veel pagina’s nodig om het jeugdverhaal en de volwassen Vermeer met elkaar in verband te brengen. Dat lukt maar half. De zeventienjarigen in Euforie worden bepaald door hun leeftijd, niet door de tijd waarin ze leven, waardoor de verwijzingen naar de actualiteit van die dagen een zinloos behang vormen.

Weijts giet het laatste deel vol met voor de roman overbodige feitjes (bijvoorbeeld over wie in de klas later zelfmoord bleek te plegen) en laat Vermeer al op pagina 316 reflecteren op een – belangrijke – onthulling die pas op pagina 387 wordt gedaan. Het heeft er alle schijn van dat de auteur bij het schuiven met passages ergens zelf de draad is kwijtgeraakt. Tja.

In de slothoofdstukken van Euforie heeft Johannes Vermeer de architectonische droom verlaten. Het gaat hem niet meer om het hele traject van idee naar stenen gebouw, hij wil alleen nog maar tekenen. De rest moet de wereld zelf maar uitzoeken.

Het is ook precies in het tekenen, in het kleine, waar je in Euforie het talent van Weijts nog ziet. In een lichtvoetig en goed bij een architect passend zinnetje als: ‘God had net een liniaal gekregen toen hij Den Haag schiep’; in de duistere, onbegrijpelijke kanten van Vermeer en zijn onhandige omgang met de ook mooi hoekig geportretteerde Isa; of in de terugkerende aansporing ‘Kom mee’, aanvankelijk de woorden waarmee de agent Johannes Vermeer de duisternis van de ingestorte tramtunnel binnenvoerde.

Op dezelfde manier zou je willen dat Weijts – veel minder begaafd als socioloog dan dan als psycholoog – zich voor zijn volgende boek laat meevoeren naar de plaats waar zijn kracht ligt: het obscure binnenste van zijn personages, waar hij zich kan vastbijten in de dingen die we nu eenmaal liever niet van onszelf onder ogen zien. Kom mee.