We laten het Nederlands toch niet tackelen!

Het Engels heeft in Nederland en Vlaanderen een hoge status onder wetenschappers, managers, popzangers en allen die dromen van een carrière in die sectoren. Heeft het Nederlands daaronder te lijden? Ach…

Volgens het standaardwerk Ethnologue zijn er op dit ogenblik 6.909 talen in de wereld. Ruim 450 daarvan zijn bijna uitgestorven. Hoe komt dat? Mensen kunnen om verschillende redenen met hun kinderen hun tweede taal gaan spreken, schrijven de auteurs. Als de erftaal daardoor niet langer van generatie op generatie wordt doorgegeven, blijft er op den duur geen moedertaalspreker meer over. Hooguit bestaat zo’n slapende of uitgestorven taal dan nog in opnames of in schriftelijke bronnen. Zo ver is het nog lang niet met het Nederlands.

De reden waarom ouders hun moedertaal niet meer doorgeven, heeft te maken met de status die zo’n taal heeft. Geloven de ouders bijvoorbeeld nog dat hun kinderen de taal van thuis zullen kunnen gebruiken om vooruit te komen in het leven? Geloven universiteiten nog dat afgestudeerden met de studietaal internationaal aan de bak komen? Denken popzangers dat er een publiek bestaat voor hun liedjes in de taal van hun land? Verlies van status leidt gemakkelijk naar domeinverlies. De taal wordt dan niet meer gebruikt voor bepaalde doeleinden, zoals onderwijs, wetenschap, politiek, media. Dat is dodelijk voor een taal.

De neerlandici van de Vrije Universiteit van Berlijn, die met enige afstand naar ons kijken, erkennen de dreiging van het Engels aan de universiteiten. Maar op hun website ‘Structuur en geschiedenis van het Nederlands’ merken ze op ,,dat in de Middeleeuwen het Latijn de taal van de universiteit was. Dat heeft het voortbestaan van het Nederlands niet in de problemen gebracht”. Een grotere bedreiging is volgens hen het Engels in het bedrijfsleven: „Het lijkt alsof titels als senior office manager en account executive meer prestige uitstralen dan het Nederlandse alternatief. Als het Nederlands functies en status verliest in het Nederlandse taalgebied, kan dat op termijn wel een bedreiging betekenen.”

Hoe hoog schat de Nederlandstalige zijn moedertaal in? Dat lijkt dus een essentiële vraag. Een antwoord hebben we niet. Er zijn wel enquêtes gehouden, en sommige leveren merkwaardige resultaten op. Een onderzoeksgroep van de universiteit van Nijmegen ondervroeg twaalf jaar geleden 300 Nederlanders, waarvan een groot deel van huis uit anderstaligen die Nederlands hadden geleerd, naar hun houding tegenover het Nederlands. De onderzoekers hadden verwacht dat de Nederlanders hun eigen taal minder hoog zouden aanslaan dan de in Nederland wonende buitenlanders. Of dat de buitenlanders het niet nuttig zouden vinden om Nederlands te leren, omdat je dan beter meteen Engels leert. Niets van dat alles.

Als gepeild werd naar het belang dat Nederlanders hechtten aan hun eigen taal, toonde het onderzoek een score van 4 op 5, maar als men onderzocht hoe spijtig Nederlanders het zouden vinden als ze hun taal moesten opgeven, kwam men op 4,8 op 5. Er werd ook gepoogd om te meten welk economisch belang de ondervraagden hechtten aan het Nederlands en andere talen. En ook daar kwam een verrassend antwoord: de buitenlanders erkenden de hogere marktwaarde van het Engels boven hun eigen moedertaal, maar de Nederlanders schatten hun eigen taal precies even hoog in, namelijk 3,5 op 5. Conclusie: Nederlanders erkennen de hoge status van het Engels, maar willen daarom het Nederlands nog niet opgeven.

Hoe komt het dan dat Nederlanders en Vlamingen zo graag Engels spreken? In een enquête over meertaligheid vroeg de Nederlandse Taalunie in 2011 aan duizend Nederlanders en Vlamingen wat ze doen als iemand op straat hun de weg vraagt in gebroken Nederlands met een zwaar Engels accent. Bijna zeven op de tien schakelt onmiddellijk over op het Engels. Wie praat met buitenlandse studenten die hier Nederlands komen leren, hoort de klacht dikwijls: wij krijgen niet de kans hier onze taalkennis in praktijk te brengen, want iedereen wil per se tonen hoe goed hij het Engels machtig is.

Het imago van het Engels heeft daar veel mee te maken. Begin dit jaar liet de Taalunie honderd Nederlandstalige jongeren in groepjes praten over het Nederlands en vroeg wat dat voor hen betekende. Het beeld was bedroevend. Het Nederlands is een suffe taal en ook nog eens moeilijk om te leren. In hun perceptie is het Engels een trendy en hippe taal, die ze ook nog eens vanzelf leren door de media en door hun favoriete muziek.

Ook veel volwassenen vinden dat ze hun imago een boost geven door Engelse woorden en uitdrukkingen door hun Nederlands te mixen. Vandaar kreten als ‘be reasonable’, ‘not my cup of tea’, ‘by the way’ en ‘keep in touch’ waar anderen dan weer ‘pissed” van worden. Heel zichtbaar is het imago-Engels in terminologie voor functies in bedrijven. Tot 1984 was een manager volgens Van Dale een ‘chef, bestuurder, leider, directeur, administrateur’. In 1192 is daarbij gekomen ‘op allerlei niveaus’. Vandaag zijn er zoveel ‘sales managers’, ‘booking managers’, ‘leisure managers’ en ‘catering managers’ dat je wel iets héél laags bent in de hiërarchie van je bedrijf als er geen manager op je naamkaartje staat.

Er zijn wel degelijk redenen Engelse woorden te importeren, zoals dat voor alle leenwoorden geldt. Een is dat we dikwijls niet meteen een eigen woord hebben voor een nieuwigheid, en dat de Engelse term achteraf goed bruikbaar blijkt, zeker als je er gemakkelijk een werkwoord van kunt maken. Dan is dat leenwoord een verrijking voor het Nederlands. Zo kwamen veel computer- en internettermen in onze taal, tot en met haast niet te spellen woorden als ‘de gedeletete bestanden’, die velen toch niet zomaar willen inruilen voor ‘de gewiste bestanden’.

Soms is een Engels leenwoord korter dan het Nederlandse. Denk aan drugs tegenover verdovende middelen. Soms klinken ze minder hard, zoals sorry tegenover ‘het spijt me’. Of zijn ze preciezer, zoals de loser, die niet zomaar een verliezer is. Dat soort woorden blijft. Maar Marinel Gerritsen en Frank Jansen telden eens voor het blad Onze Taal hoeveel Engelse leenwoorden tussen de jaren zestig en vandaag zijn verdwenen. Ze namen twee verzamelingen met Engelse leenwoorden, een van 1951 en een van 1964. Daarin vonden ze 991 woorden. Die zochten ze op in de dikke Van Dale. Blijkt dat een derde tot de helft van de woorden vanzelf zijn verdwenen.

Wat blijft volgens deze onderzoekers? Zelfstandige naamwoorden (dealer, plaid) en werkwoorden (finishen, scoren) meer dan bijvoeglijke naamwoorden (downhearted, classic). Concrete woorden (crew, flat) meer dan abstracte (prim, showy). Woorden die in het Nederlands langer zijn (strapless – zonder bandjes) en goed uitspreekbare woorden (dancing). En opmerkelijk: als er naast het leenwoord een Nederlands woord bestaat dat er sterk op lijkt, dan verdwijnt het leenwoord snel. Daardoor is de hall vervangen door een hal en laten we de trophy vallen voor een trofee.