Massagraf verdient een steen

Archeoloog Ben Mitrasingh wil de exacte plek vinden van een massagraf op Mariënburg en een gedenksteen plaatsen. „Dan kun je de geschiedenis echt afsluiten.”

‘Hier moeten ze ergens liggen”, zegt archeoloog Ben Mitrasingh. Hij wijst naar een bos aan de rand van de voormalige Surinaamse suikerrietplantage Mariënburg. ‘Ze’, dat zijn zeventien contractarbeiders die op 30 juli 1902 door militairen werden doodgeschoten. De 68-jarige Mitrasingh wil met steun van een groep Surinamers de exacte plek vinden. Hiervoor moeten luchtfoto’s worden gemaakt. Daarna kunnen machines worden ingezet om bomen en grond te verwijderen.

De gebeurtenissen op Mariënburg, in het district Commewijne, behoren tot de bloedigste uit de Nederlandse koloniale geschiedenis. Maar ze zijn in Nederland vrijwel vergeten. In 2006 werd door de Surinaamse regering bij de toegangsweg een monument met de namen van de slachtoffers onthuld. Wanneer het massagraf is gevonden, zal ook op die plek een gedenksteen worden geplaatst. „Dan kun je de geschiedenis echt afsluiten”, vindt Mitrasingh.

Het plan voor de opgraving is niet toevallig juist nu opgevat. In 2013 is het 150 jaar geleden dat de slavernij werd afgeschaft, en ook 140 jaar dat de eerste ‘koelies’ uit Brits-Indië aankwamen. Later werden ook Javanen uit Nederlands-Indië aangevoerd.

Op Mariënburg staat nog de verkrotte directeurswoning. Net buiten de plantage staan de houten huisjes waarin de contractarbeiders woonden. Veel nazaten wonen er nog. Plantagenamen als Rust en Werk, Hecht en Sterk en Meerzorg roepen in Commewijne herinneringen op aan de koloniale periode. Overal liggen kleine dammen en sluizen, destijds gebouwd om bij vloed het zeewater buiten te houden. Sommige plantagegronden hebben een nieuwe bestemming, bijvoorbeeld woningbouw, soms weer landbouw.

In juli 1902 brak op Mariënburg een staking uit tegen de zware werkcondities en de lage lonen. Twee decennia eerder was de plantage in handen gekomen van de Nederlandsche Handel Maatschappij (voorloper van ABN Amro). De NHM bezat nog andere plantages.

Het suikerriet werd in de suikerfabriek op Mariënburg verwerkt. De wrok tegen directeur James Mavor, in dienst van de NHM, was groot onder de overwegend Hindostaanse contractanten. Veel woede wekten ook zijn seksuele escapades met vrouwen van de plantage.

Na een inspectietocht op zijn paard werd Mavor, zo staat in het Koloniaal Verslag beschreven, „op de meest barbaarsche wijze” door razende en tierende arbeiders met houwers afgemaakt. Een dag later werd een tiental verdachten door militairen en politiebeambten gearresteerd. Daarop keerde de woede van met houwers gewapende Hindostaanse en Javaanse arbeiders zich tegen hen. Ze rukten op naar de plantage om vrijlating van hun collega’s te eisen. Er kwam militaire versterking.

Het Koloniaal Verslag vermeldt: „De procureur-generaal, den hachelijken toestand ziende, waarin het detachement militairen en de ambtenaren zich bevonden, gaf bevel te vuren.” Naast de zeventien doden vielen er ook 39 gewonden, van wie er later nog zeven aan hun verwondingen bezweken.

„Het verhaal over de directeur en zijn paard wordt door de ouderen nog verteld. Mijn vader was hier rietkapper”, vertelt een ijsverkoper die op de plantagegrond woont. Zijn kleine, vroegere opzichterswoning moet volgens Mitrasingh niet ver van de plek liggen waar de lijken in een massagraf zijn gedumpt en met ongebluste kalk overdekt.

De Nederlandse ambassade in Paramaribo liet Mitrasingh onlangs in een brief weten „in principe welwillend” te staan tegenover het verzoek om technische hulp vanuit Nederland financieel te ondersteunen. Het wachten is nu nog op toestemming van president Desi Bouterse.