Kunst kijken terwijl je rent

Kijk je beter naar kunst als je in een luie stoel ligt of op een loopband staat? Drie directeuren testen in de Kunsthal een installatie van Museum Minutes.

Edwin Jacobs

De Kunsthal in Rotterdam is nog in diepe rust, als op een maandagochtend drie museumdirecteuren er samenkomen. Hier staat sinds september een installatie die test of museumbezoekers ook langer dan de gemiddeld 9 seconden naar een modern of hedendaags kunstwerk kunnen kijken.

Het idee lijkt simpel. Aan de ene kant van de installatie kijken bezoekers bewegend op een loopband naar een kunstwerk, aan de overzijde zittend in een luie stoel. Via koptelefoons krijgen ze geen educatief praatje te horen, maar verhalen van onder meer cabaretier Vincent Bijlo, een yogalerares en een rapper.

Het publiek komt er – mede door aandacht in het NOS Journaal – nieuwsgierig op af. „Het publiek pakt het kennelijk sneller op dan de professionals, dat is al veel verder in wat je kunt doen in een museum”, stelt Emily Ansenk, directeur van de Kunsthal. Zij gaat bijna dagelijks even kijken. „Kinderen en jongeren zijn niet bij de installatie weg te branden. Ze willen alles uitproberen en beluisteren, schoolklassen discussiëren op zaal nog lang na. Bij 50-plussers is het beeld wisselend. Sommigen draaien zich direct om en zeggen: ‘dit is niks voor mij’. Anderen gaan wel in de stoel zitten, maar blijven naast de loopband staan. Ze pakken de koptelefoon om te luisteren. Weer anderen gaan op de loopband bewegen, soms zelfs met een snelheid dat ik denk: ‘is dat wel goed voor je’?”

Die ervaringen hebben Edwin Jacobs (directeur Centraal Museum, Utrecht) en Meta Knol (directeur Museum de Lakenhal, Leiden) niet. Benno Tempel (directeur Gemeentemuseum Den Haag) is een aantal keren gaan kijken. In de discussie pogen ze de verschillende lagen die de makers hebben aangebracht te herkennen en af te pellen. Volgens Tempel drukt de tentoonstelling „ons met de neus op de feiten van onze eigen clichés, van hoe wij als museumprofessionals denken dat je tentoonstellingen moet inrichten. Die kloppen binnen ons vakgebied en voor een klein deel van het publiek. Maar van een groter deel van het publiek weten we niet meer goed hoe het kunst beleeft.”

Knol noemt het een conceptuele tentoonstelling. „Hier wordt mij een andere vorm van tijdverdrijf aangeboden.”

Jacobs moet denken aan „de installaties uit de jaren zestig die een performancekarakter hadden. Co-creatie, het meescheppen, is onderdeel van het geheel.”

Is meer beweging een goed idee?

Jacobs: „De loopband intrigeerde mij. Op de sportschool sta je er vaak op, maar op deze manier had ik er nog niet over nagedacht.”

Tempel: „Dat mensen hier langer kijken heeft meer dan ik had gedacht te maken met die beweging. Het valt op dat mensen graag iets dóen om aandachtiger te kunnen kijken. Als je ze een skippybal geeft, zullen ze ook langer kijken. En ze vinden het leuk om naar elkaar te kijken, naar iemand die op de loopband beweegt of in de stoel zit te luisteren. Dat merken we ook in ons museum, waar je door de bouw doorkijkjes hebt naar andere zalen. Er wordt zo veel contact gemaakt, ook door mensen die elkaar niet kennen.”

Zijn musea te eenvormig geworden, zijn het allemaal white cubes? Waarom niet een schilderij op een zwarte muur ?

Knol: „Dat is ook absurd. Waarom kunst zo op een voetstuk plaatsen?”

Tempel: „Ik wil dat beeld nuanceren. In Nederland lopen we juist al jaren voorop met het gebruik van kleuren op de muur. In veel middelgrote en kleine musea zie je dat ze experimenteren met vormen van presenteren.”

Knol: „Het Stedelijk is een stap terug. Dat is echt jammer.”

Tempel: „Ik vond het vreemd dat iemand van het Stedelijk in een interview zei dat ze geen verhalen vertellen met als reden: ‘wie zijn wij om verhalen te vertellen, we weten helemaal niet wat voor bagage het publiek heeft?’

Knol: „Het is de tegenstelling tussen inclusief en exclusief denken. We komen uit de tijd van het modernisme. Dat zag je in de ontwikkeling van musea met hun white cube, van de kunstkritiek en van de kunstmarkt. Hoe exclusiever, hoe beter. Dat tijdperk is voorbij, we moeten zoeken naar inclusiviteit. Het gaat er niet om dat iets zo uniek mogelijk is, maar dat er zoveel mogelijk gedeeld wordt. Dat heeft gevolgen voor de museuminrichting, voor de communicatie met het publiek, voor het aankoopbeleid.”

Moeten musea andere verhalen vertellen dan alleen maar de kunsthistorische?

Knol: „In musea zijn we geneigd alles te kanaliseren in formats: het format van het tekstbordje, het format van de audiotour. Maar mensen vergaren op een hele andere manier informatie. Die nieuwe site van het Rijks, waar bezoekers van alles kunnen doen met de kunstwerken, vind ik geweldig. Wij zijn bij de Lakenhal ook bezig om de collectie zo te ontsluiten dat mensen niet alleen de 22.000 kunstwerken vinden, maar ook de bronnen waar informatie te vinden is, of muziek of gedichten uit die tijd. Dat geeft ons veel ruimte, we kunnen ons richten op de ervaringen die we mensen willen bieden. Alleen maar zenden van informatie verschaft autoriteit en het publiek is er deels blij mee, maar je verklaart het ook onmondig.”

Jacobs: „Wij hebben bij de vaste opstelling van onze topstukken een vloer laten ontwerpen door Joëlle Wehkamp met hele grote tekeningen. Op een associatieve manier loop je dan door de illustratie. Je kunt de wandteksten en bordjes negeren. Ik vind de interactie die je zo krijgt, heel belangrijk.”

Zijn musea toe aan veranderingen?

Tempel: „Het is ingewikkeld om directies en conservatoren mee te krijgen voor vernieuwingen. Neem de missies in de jaarverslagen van musea. Die gaan over kunst, onderzoek, collectie, maar zelden over het publiek. Dat is absurd. Conservatoren hebben het er moeilijk mee als ze andere teksten moeten schrijven of interactiviteit moeten organiseren.”

Knol: „Onze conservatoren zijn door de bank genomen klassiek geschoolde historici of kunsthistorici. Geschiedenis gaat over de vergelijking van feiten, kunstgeschiedenis over de vergelijking van objecten. Maar in het museum gaat het om de bijzondere band tussen mensen en objecten. Daar leer je bij kunstgeschiedenis niets over.”

Moet je zoals hier aan andere mensen vragen om tentoonstellingen te maken?

Jacobs: „Ik vind het interessant dat hier deskundigen in beeldcommunicatie aan gedacht en ontworpen hebben. Maar ik weet nog niet zo goed waar ik het precies aan terugzie.”

Knol: „Ik vind dat lastig. Maar om uit je comfortzone te komen heb je andere impulsen nodig. Wij hebben de tentoonstelling Parelen die is samengesteld door choreografe Karen Post. Zij heeft er een Gesamtkunstwerk van gemaakt, waarbij mensen in de audiotour een sprookje horen dat is geschreven door toneelschrijver Rob de Graaf en is ingesproken door acteur Pierre Bokma. Mensen worden opgetild naar een andere realiteit, zoals dat ook kan gebeuren bij een theatervoorstelling.”

Inspireert deze tentoonstelling nog om iets in jullie eigen museum te veranderen?

Tempel: „Ik denk dat wij misschien andere stoelen nodig hebben. Nee, we zullen de Berlagebankjes niet weg doen. Maar ze hebben geen rugleuning, er is geen comfort.”

Knol: „Van deze tentoonstelling blijft ook bij mij het comfort hangen. Het is nu in veel musea heel Spartaans. Het moet een plek zijn waar je gewoon lekker kunt verblijven.”

Jacobs: „In ons concept van de Werkplaats dagen we bezoekers al uit zelf iets te maken in het kader van een tentoonstelling. Het is me nu helder. De Werkplaats is niet alleen een feature, het moet het idioom worden van het museum. Mensen kijken naar elkaar, mensen helpen elkaar. Daar moeten we vol op inzetten.”