Het succes van deze films: ze zijn zo lekker Hollands

Knusser dan in Alles is liefde kan Nederland niet zijn: iedereen hoort erbij, iedereen is gelijk. In Alles is familie is dat weer zo, maar nu iets minder zoet.

Filmrecensent

Nivelleren in hun portemonnee doen Nederlanders niet graag, maar in de bioscoop vinden we het heerlijk. De romantische komedie Alles is liefde kwam uit op 11 oktober 2007 en de bezoekers bleven toestromen tot ver na de kerstvakantie, zodat het bezoekersaantal uiteindelijk op 1,3 miljoen uitkwam. Alles is liefde was daarmee de best bezochte Nederlandse film sinds Flodder in Amerika! (1992). Nederland had de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh nog tamelijk vers in het geheugen en de behoefte aan een gedroomd beeld van Nederland, zonder al die angstaanjagende maatschappelijke verdeeldheid en spanning, was groot.

Knusser dan in Alles is liefde kan Nederland niet zijn; een Nederland met weliswaar heel veel Zwarte Pieten, maar zonder allochtonen. Schrijfster Kim van Kooten bewerkte voor de film de Britse romantische komedie Love Actually. Haar briljante vondst was om van de kerstfilm die als voorbeeld diende een sinterklaasfilm te maken. De goedheiligman is diep verankerd in de Nederlandse psyche. De sinds mensenheugenis steeds terugkerende vrees dat Sint het ooit zal afleggen tegen de Kerstman, bewijst juist hoezeer Nederlanders aan hem zijn gehecht. Nederland heeft geen traditie van kerstfilms, maar inmiddels wel van sinterklaasfilms.

‘Nestgeur’ is vaak de belangrijkste troef van Nederlandse filmmakers die een breed publiek willen bereiken en daarbij moeten zien op te boksen tegen Hollywood. Hollywood kan bijna alles beter (en met veel grotere budgetten), maar wat de Amerikaanse studio’s uiteraard niet kunnen bieden, is Hollandse herkenbaarheid. Herkenbaarheid of nestgeur is wat grote publiekssuccessen als Gooische Vrouwen (met vriendinnen aan de witte wijn, tobben over mannen en kinderen) en De Marathon (Rotterdamse rouwdouwers met hart van goud) verbindt. En Alles is liefde is daar de overtreffende trap van.

Wat Alles is liefde misschien nog wel sterker dan de Sint zo typisch Nederlands maakt – zo Nederlands dat de film in België weinig deed en een remake moest krijgen – is het gelijkheidsideaal dat uit elke scène spreekt. Niemand mag denken dat hij meer of beter is dan een ander. De aandoenlijke zwerver Jan (Michiel Romeyn) die de rol van de Sint krijgt opgedrongen, is heus niet minder dan Valentijn, de Prins van Oranje, die op zijn beurt de liefde verklaart aan een verkoopster van De Bijenkorf (Carice van Houten).

Iedereen hoort erbij, homo en hetero, bouwvakker en bakfietsmoeder, en is op de keper beschouwd ook helemaal niet zo verschillend. Ook Alles is familie probeert de boel weer een beetje bij elkaar te brengen – met name door de keurige Kees Hulst en de volkse Willeke Alberti verliefd op elkaar te laten zijn. Zo zien we dat graag, in onze egalitaire fantasiewereld.

Het hele jaar door kijken we misschien gretig en massaal naar commerciële televisieprogramma’s, die bol staan van leedvermaak en botheid, maar in december willen we even wat anders: meer warmte, kleinschaligheid, vergevingsgezindheid. Ook daar speelde Alles is liefde heel slim mee, door van Sinterklaas Jan een televisiester te maken en zo, op milde wijze, de spot te drijven met de wetten van de commerciële tv.

Hoe gecommercialiseerd feesten als Sinterklaas en Kerstmis ook zijn, films als Alles is liefde, en ook Alles is familie, presenteren zich als een – eerlijker, zachtaardiger – alternatief voor die harde commercie, hoewel de films zelf natuurlijk ook weer commerciële producten zijn.

Het verschil met de voorganger is dat Alles is familie niet, om in sinterklaastermen te blijven, over elke gebeurtenis een suikerlaagje legt. Vergelijk de stampende titelsong die Bløf indertijd maakte voor Alles is liefde met het wonderschone, verstilde ‘Oceaan’ dat Racoon schreef voor Alles is familie. Niet alles komt goed, niet iedereen leeft nog lang en gelukkig. Alles is familie gaat daardoor wat meer over Nederland zoals het werkelijk is – en wat minder over het land dat we graag zouden willen zijn.

    • Peter de Bruijn