Het kabinet geeft asielzoekers geen ‘valse hoop’

De asielafspraken zorgen voor ongemak tussen coalitiepartners PvdA en VVD. Het CDA: „Ze geven totaal verschillende signalen af.”

Nabij station Den Haag Centraal staat een tentenkamp waar zo’n veertig uitgeprocedeerde asielzoekers bivakkeren. De tenten zijn veelal gedoneerd door de Occupy-beweging. Foto Floren van Olden

Wat wil het kabinet met uitgeprocedeerde asielzoekers: onverbiddelijk zijn, of ze toch nog een kans geven?

Het debat over het tentenkamp in Osdorp, in de Tweede Kamer gisteren, bleek een voorproefje van hoe de afspraken die VVD en PvdA met elkaar maakten over asiel en immigratie knellen. Vooral voor de PvdA.

Want bij staatssecretaris Fred Teeven (Veiligheid en Justitie, VVD) was bepaald geen PvdA-geluid te beluisteren. „De vertrekplicht moet onverkort gelden”, zei hij. Voor elke afgewezen asielzoeker, dus ook voor degenen in een tentenkamp.

Teeven was ook helder over de opvang die de Amsterdamse burgemeester Van der Laan (PvdA) heeft geregeld voor de uitgeprocedeerde asielzoekers. Die opvang „draagt niet bij aan de uitvoering van het vreemdelingenbeleid”. En: „We moeten voorkomen dat valse hoop wordt geboden.” Maar, zei Teeven, Van der Laan is nu eenmaal verantwoordelijk voor de openbare orde. „Hij moest dit dus wel doen.” Maar met die vergoelijking is geen oplossing gevonden voor illegalen die niet terugkunnen naar hun eigen land.

De oppositie had al gauw door hoe coalitiepartners VVD en PvdA zich tot elkaar verhielden: ongemakkelijk. Eddy van Hijum van het CDA: „VVD en PvdA geven totaal verschillende signalen af. De staatssecretaris noemde dat couleur locale, maar ik zie meer een zebra langskomen.”

Malik Azmani (VVD) beweerde meermalen het tegenovergestelde van de PvdA. Azmani: „We zetten het beleid van het vorige kabinet voort. We hebben één concessie gedaan, daar blijft het bij.” Hij bedoelde het kinderpardon voor ‘gewortelde’ asielkinderen. Over opvang voor uitgeprocedeerden was hij onverbiddelijk: „Die steunen we niet. Opvang werkt terugkeer niet in de hand.”

Coalitiegenoot Kadija Arib (PvdA) zei juist: „Er moet opvang zijn voor wie echt niet terug kan naar zijn eigen land. We willen geen mensen op straat.” Maar toen de oppositie daarop doorvroeg, krabbelde ze terug: „Ik kan hier niet zomaar roepen dat de mensen die zijn opgevangen, hier mogen blijven. Daar gá ik niet over.”

Arib vroeg staatssecretaris Teeven om uit te zoeken hoeveel mensen de afgelopen jaren gebruikmaakten van het zogeheten buitenschuldcriterium. Mensen die wel terug willen, maar dat niet kunnen, komen dan alsnog in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Teeven zegde zo’n onderzoek toe, maar was ook hier weer strikt: „Die regeling kan alléén gelden als mensen willen meewerken aan vertrek. En tot nu toe hebben zich nul personen gemeld.”