‘Er mogen geen vuile zinnen in zitten – het moet perfect zijn’ Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? Aflevering 24: acteur, scenarioschrijver, cabaretier, muzikant en zanger Thomas Acda (1967). In 1997 brak hij door met muziekduo Acda en De Munnik. Hij woont en werkt in Amsterdam.

‘Dit souterrain is precies goed. Er zitten bovenin alleen een paar kleine raampjes voor daglicht, met glas waar je niet doorheen kunt kijken. Zo word ik niet afgeleid. Als ik hier zit, wil ik echt alleen zijn. Als de kids naar school zijn, ga ik naar beneden. Het eerste wat ik hier ga doen is een film kijken. Ik ben gek van films; speelfilms, documentaires. Ik schrijf nu scenario’s voor twee nieuwe speelfilms. Tijdens het kijken maak ik soms notities. Het leuke aan film is: je mag schaamteloos jatten. Die films kijk ik liggend op de bank of ik sta op de loopband. Dat laatste meestal bij series. Een serie duurt meestal 40 minuten; als ik bij de tweede aflevering nog steeds ren, denk ik: dan kun je net zo goed doorrennen nu. En zo train ik ook meteen voor de marathon van New York. Ik bewijs om het jaar dat iedereen hem kan hardlopen.

Na de film ga ik douchen. Dan schrijven op de computer. Scenario’s, teksten voor liedjes, voor de theatertour met Paul (de Munnik, red.). Ik heb een beetje veel baantjes. Ben altijd bezig, anders word ik ongelukkig. De beste plek om te werken is overigens New York. Eind van de middag slaapt iedereen hier; niemand die belt of mailt. In Nederland eindig ik de dag met koken. Dat is een hobby van me; voor mijn scheiding kon ik niet koken maar nu kook ik heel uitgebreid. Ik vind het nu het fijnste wat er is. Daarna komt teksten schrijven.

Mijn liedjes – het begint vrijwel altijd met de tekst – schrijf ik overal tussendoor. Ik ga er ook niet voor zitten. Op ieder moment kan er ineens een flard van een zin opkomen, een idee, en dat noteer ik dan. Die notities zet ik meteen in mijn iPhone. Gelukkig heb ik mijn vriendin zo ver gekregen dat zij ook wel eens wat intypt; als me iets te binnen schiet terwijl ik in bad zit bijvoorbeeld – ik heb al zeker twintig keer mijn telefoon in bad laten vallen. Die krabbeltjes met invallen, woorden, zinnen laat ik eerst heel lang voor wat ze zijn. Ik kan er zo een half jaar niet naar kijken. Het heeft veel tijd nodig. Het kunnen vage zinnen zijn als ‘Boterham in de hand’ – iets met vroeger, snel die boterham staand opeten om te kunnen voetballen. ‘Met de schouders bijna hoger dan het hoofd’, dat vind ik wel een mooie manier om iemand te beschrijven die bedrukt is. Misschien inspireert het ooit tot een liedje. Mijn vriendin vroeg me een keer of ik mijn leven lang bij haar zou blijven. Ik antwoordde, niet eens bewust op die manier: ‘Ik weet wel dat ik jouw leven lang bij mij blijf’. Ze keek me aan met zo’n blik van: die ga je meteen opschrijven zeker? Inderdaad heb ik toen direct de auto aan de kant gezet. Als ik zo’n inval later weer zie en ik zie er iets in, schrijf ik het op in mijn ‘schrijfboek’, zoals ik dat noem. Ook losse papiertjes met aantekeningen plak ik daarin, evenals recensies of krantenknipsels die me inspireren. Het zijn een soort plakboeken met liedjes of teksten in wording.

En dan proberen een goede tekst te maken. Ik ben erg secuur als het gaat om hóé je het gaat vertellen. Er mogen geen vuile zinnen in zitten. Ons publiek hoort die liedjes meestal in het theater, zit rechtop te luisteren. Dan moet het ook wel echt perfect zijn. Wat is het probleem, wat wil ik vertellen? Soms ga ik eerst een heel verhaal opschrijven waarin ik omschrijf wat het liedje moet vertellen. Ik grijp terug naar dingen uit mijn eigen leven – maar bij de derde zin begin ik al te liegen. Want het moet natuurlijk wel rijmen. Er zit veel melancholie in. Ik schrijf óf over verlangen óf over de verleden tijd. De drama’s tussen mensen.

Als ik zelf vind dat ik iets heel moois heb geschreven, voel ik mij briljant. Ik zit hier dan even volkomen tevreden, schenk een goed glas in. Ik ben toch wel de beste schrijver van Nederland, denk ik dan. Dan kijk ik nog eens; oh, die regel is niet goed. Oh, die ook niet. Dat geniale gevoel duurt dus hooguit twee minuten.

Ik gooi heel veel weg. Maar als ik tevreden ben – de tekst is dan helemaal af – print ik het uit en dan pas ga ik ermee naar Paul of David (Middelhoff; bandlid, red.). Meestal maken zij de muziek erbij. Paul en ik zijn inmiddels zo op elkaar ingespeeld dat als een van ons de hoofdlijn gaat zingen de ander meteen de bijpassende tweede stem pakt. De hoge stem zing ik meestal, maar soms is het juist mooier als Paul die zingt, dan krijg je meer passie – want hij moet zich daar echt voor inspannen, om die toon te halen.

De emotie in onze nummers, de thema’s – vaak hoor ik: ‘Ik heb er zoveel aan gehad’. Ren Lenny Ren wordt veel bij begrafenissen gedraaid. Bij Niet of nooit geweest ging iedereen scheiden natuurlijk. Al die vrouwen die mij mailden dat ze eindelijk voor zichzelf hadden gekozen! Maar ik ben nog steeds bang dat op een dag die woedende man hier op de stoep staat die dankzij dat voor zichzelf kiezen en het roer eens helemaal omgooien nu alweer jaren alleen op een tweekamerflatje in Almere zit.”