Een oeverloos universum

Waldhotel/Waldsanatorium in het Zwitserse Arosa, waar Thomas Mann vaak op bezoek bij zijn zieke vrouw Katia was, en waarvan hij interieurdetails in zijn roman ‘De toverberg’ vermengde met die van het sanatorium in Davos.

De toverberg van Thomas Mann is opnieuw vertaald door Hans Driessen.Is deze danse macabre van bijna duizend pagina’s geestrijk of zwaarwichtig? Bas Heijne las het boek.

De jonge Hans Castorp gaat voor drie weken op bezoek in een Zwitsers sanatorium en verblijft daar uiteindelijk zeven jaar; Thomas Mann wilde aanvankelijk slechts een novelle schrijven, als luchthartige pendant van Der Tod in Venedig (1911), maar schreef uiteindelijk een roman van tegen de duizend bladzijden – de ontstaansgeschiedenis van Der Zauberberg (1923), nu voor de derde keer in het Nederlands vertaald, spiegelt de inhoud.

Het verhaal – er is geen verhaal, niet echt. De roman begint met een anekdote: de jonge Castorp gaat zijn zieke neef opzoeken in Davos, waar hij in de onwerkelijke danse macabre belandt van welgestelde tuberculosepatiënten, die aan de rand van de afgrond proberen de schijn van een volwaardig leven op te houden. Al snel verliest Castorp, ver verwijderd van zijn geordende leven beneden in het ‘laagland’, zijn gevoel voor tijd. Net zo raakt de vorm van De toverberg los van de traditionele vertelling. Hoog boven de wereld van alledag verandert tijd in ruimte – de zeven jaar in het sanatorium worden voor de simpele, onwetende Castorp een onverwachte zoektocht naar essenties – wat is tijd? Wat is het leven?

Een klassieke zoektocht is het niet: Castorp blijft die zeven jaar in het sanatorium op zijn plaats. Meteen na zijn aankomst krijgt hij verhoging en al snel is hij geen bezoeker meer maar patiënt, opgenomen in een koortsige wereld waarin de klok is vervangen door de thermometer en de alomtegenwoordige dood kies wordt weggemoffeld. Door zich gewillig – het blijft onduidelijk hoe ziek hij nu werkelijk is – over te geven aan het leven in het sanatorium, dat aan de ene kant volledig in het teken van de dood staat en aan de ander kant vreemd tijdloos is, doet Castorp zijn ontdekkingen.

De tegenstellingen die in het laagland vanzelf spreken, blijken hier schijn – lichaam en geest, leven en dood, beschaving en wreedheid, gezondheid en ziekte, het stoffelijke en het onstoffelijke, ze blijken innig met elkaar verstrengeld, en ze geven elkaar betekenis. Tegelijkertijd komt de hele wereld bij Castorp langs, in de vorm van wetenschappelijke studies die hij in zijn ligstoel tot zich neemt en als een bonte parade van personages, die stuk voor stuk dragers zijn van wereldbeelden: de opgewonden humanist Settembrini, de cynische aartsconservatief Naptha en de zinnelijke Hollander Peeperkorn.

In een lezing over De toverberg die Mann lang na het verschijnen van de roman aan de Princeton-universiteit hield, opgenomen in de nieuwe Nederlandse vertaling, noemt hij het verhaal van Hans Castorp ‘het verhaal van een potentiëring, maar het is zelf ook een potentiëring, als geschiedenis en vertelling. Het werkt weliswaar met de middelen van de realistische roman, maar is dat niet [...] . Alleen al door de behandeling van de personages doet het dat, doordat die voor de lezer stuk voor stuk meer zijn dan ze lijken: het zijn louter exponenten, representanten en zendbodes van geestelijke domeinen, principes en werelden. Ik hoop dat ze desondanks geen schimmen en wandelende allegorieën zijn. Ik voel me in de hoop gesterkt door de ervaring dat de lezer deze personages, Joachim, Klavdia Chauchat, Peeperkorn, Settembrini [...] als echte mensen beleeft, die hij zich herinnert als personen met wie hij werkelijk heeft kennisgemaakt.’

Abonnees van de digitale editie van NRC lezen het hele stuk van Heijne hier.