Denkbeelden uit de Leica van W.F. Hermans

De foto’s van Willem Frederik Hermans zijn onmiskenbaar de foto’s van een schrijver, vindt Thom Hoffman, zelf acteur, fotograaf en ‘rechtgeaarde’ Hermans-liefhebber.

‘Kinderen, San Sebastian’, 1962 Foto’s Willem Frederik Hermans, collectie Letterkundig Museum, Den Haag

‘Wij zijn niets anders dan de strandvonders van ons eigen leven, brokstukken verzamelend langs de zee der vergetelheid. In onze hand lopen wij met de verroeste spijkers van een groot gezonken schip – en wij denken dat dit oudroest een horloge is.”

Deze woorden, uit Willem Frederik Hermans’ ‘Préambule’ in de bundel Paranoia, schoten mij als eerste te binnen bij de gedachte aan Hermans’ foto’s.

Hoeveel weet ik van onze Nationale Opper Mopperkont? Ik heb aardig wat van hem gelezen, ja, ik ben één van de zeven bezitters van een strenge bronzen kop van Hermans, (bij zijn 65ste verjaardag gemaakt door Sylvia Quiël), ik werkte mee aan de Hermans-documentaire Ik verlang naar niets dat voorbij is terug en was nauw betrokken bij maar liefst drie W.F. Hermans-verfilmingen die nooit tot stand gekomen zijn (Ik heb altijd gelijk, Nooit meer slapen, en De Woeste Wandeling). En op mijn uitgebreide Hermans-plankje staat natuurlijk ook Koningin Eenoog, de catalogus met Hermans-foto’s uit 1986.

Maar om nu te zeggen dat ik de gevreesde onderwijzerszoon uit de Eerste Helmersstraat begrijp… Nee.

Ik herlees De donkere kamer van Damokles, waarin twee levenslange belangstellingen van Hermans samenkomen: de oorlog en de fotografie. Ik ontdek nieuwe perspectieven. Hadden deze foto’s zonder Hermans’ reputatie in de literatuur in dit fotomuseum gehangen? Was W.F. Hermans alleen fotograaf geweest, we hadden anders naar zijn werk gekeken dan nu. Kijkend met kennis van zijn schrijverschap zien we andere foto’s dan zij – at face value – zijn. Dat laatste kan in omgekeerd perspectief misschien voor zijn romans gelden: een interessante dubbelheid waar ik zo op terug kom.

Verwarring

In Reis naar het einde van de nacht (1932), een van de lievelingsboeken van Hermans, laat Louis-Ferdinand Céline zijn antiheld Bardamu zeggen: „Feitelijk was de oorlog alles wat je niet begreep.” Als er één motto van toepassing is op Hermans’ meesterwerk, dan zijn het wel deze woorden. Eigenlijk is De donkere kamer van Damokles Hermans’ Reis naar het einde van de nacht. De bedoeling van de auteur is juist dat we er zo min mogelijk van gaan begrijpen. Al bij de eerste pagina’s slaat de verwarring toe in het leven van Osewoudt, en dus ook in het hoofd van de lezer. We zitten in Osewoudts wereld, de lelijke kleine en onbehaarde mislukkeling die vanuit zijn Voorschotense tabakszaak de greep op de werkelijkheid verliest. Hele schoolklassen discussieerden erover, toen er nog literatuur op de middelbare school werd onderwezen: „Bestaat Dorbeck of is hij een fantoom uit Osewoudts troebele brein?”

Er staan enkele sleutels losjes verborgen in de tekst, als paaseitjes voor wie wil speuren. Voor de voorstanders van Dorbecks existentie laat Hermans Dorbeck zeggen: „Ze kunnen zoeken zoveel als ze willen, maar als ik niet gevonden wil worden, word ik niet gevonden.” Of toch een klassieke Jekyll & Hyde-variant?: „De regen stroomde met een sissend geluid. Een bliksemstraal verlichtte de winkel, maar niet Dorbecks gezicht, waar Osewoudts eigen schaduw op viel.”

Hermans speelt als een volleerd literair illusionist een spel met de realiteit, met de perceptie van de lezer, onnavolgbaar wervelend tussen objectief en subjectief. Een spiegelpaleis. Osewoudt en Dorbeck als elkaars positief en negatief. Osewoudt die zichzelf en Dorbeck in de spiegel fotografeert… Dubbelbeeld van twee dubbelgangers, als in een schilderij van Magritte. Het gedoemde mislukken van de fotorolletjes, metafoor voor het falen van de mens in zijn poging vat op de werkelijkheid te krijgen. De werkelijkheid bedriegt ons. In Hermans’ sadistisch universum is geen plaats voor verlossing of troost, hoezeer we daar als lezer en bondgenoot van Osewoudt naar snakken.

Verraders

In de Hermans-biografie van Hans van Straten valt te lezen hoe de oorlogsjaren de adolescent Hermans vormen in zijn onmacht, angst en argwaan. Vele van zijn vroegere klasgenoten van het Barleaus komen om in concentratiekampen, medestudenten in de verzetsgroep CS 6 kwamen in handen van de beruchte verraders Anton van der Waals en Christiaan Lindemans (alias King Kong), en Hermans’ zuster Cornelia pleegt zelfmoord. Dit is de vijandige, niet kenbare wereld die Hermans later tot filosofisch en creatief principe uitwerkt.

Hermans begon al in zijn jeugd, voor de oorlog, met fotograferen; geen gelukkige jeugd, schrijft hij zelf in zijn Fotobiografie. Daarin staat ook, paginagroot nog wel, een foto van zijn eerste camera: „Ik fotografeerde met deze camera, die we hadden verworven door cadeaubonnetjes van Sunlightzeep op te sparen.”

Kenners van het werk van Hermans denken bij de met Sunlightzeep gespaarde camera direct aan zijn novelle De Blinde Fotograaf, een belangrijke schakel. Ook in deze novelle wordt aan de fotografie als medium en instrument van waarneming een falende eigenschap toegekend. Een blinde jongeman, in een duister labyrint door zijn gierige en naargeestige ouders gevangengezet, wordt door een entertainmentreporter geïnterviewd over zijn hobby: de fotografie.

De Blinde Fotograaf werd in 1972 briljant verfilmd door Adriaan Ditvoorst, met sterk naar het surrealisme neigende beelden van cameraman Jan de Bont. Zo virtuoos kunnen fotograferen zou Hermans zelf ook wel gewild hebben, vermoed ik. Wie Hermans collages kent (verzameld in Het hoedenparadijs) ziet ook in zijn fotografie sterke verwantschap met de denkwereld van de surrealisten. Zijn Hermans’ boektitels (De donkere kamer van Damokcles, De tranen der acacia’s, Mandarijnen op zwavelzuur) eigenlijk niet ook collages, in woorden omgezet?

Nu zijn we dan aangekomen bij de tentoonstelling. Het is met afstand de merkwaardigste verzameling foto’s ooit bijeengebracht. Dit zijn geen foto’s van een fotograaf pur sang, zoals de werken van Karel Appel van een schilder pur sang zijn, of de symfonieën van Gustav Mahler pure muziek. De foto’s van Hermans zijn onmiskenbaar de foto’s van een schrijver.

Die dubbelheid van het schrijven en fotograferen maakt deze foto’s juist interessant. Hermans kijkt en fotografeert, ja dénkt al fotograferend, echt als een schrijver. Dat is: niet zuiver beeldend, niet zuiver fotografisch maar anekdotisch, het beeld als drager van een gedachte, een idee, een opvatting, een filosofisch begrip zelfs. Wittgenstein schemert door sommige beelden heen, op lichtvoetige wijze. Hermans’ Leica produceert geen beelden maar denkbeelden.

Dubbel perspectief

Eerder had ik het over Hermans’ spiegelpaleis, het dubbele perspectief dat bij het zien van de tentoonstelling ontstaat. Er zijn vele voorbeelden te vinden van elementen in zijn romans, die je fotografisch zou kunnen noemen. Zie bijvoorbeeld het befaamde begin van Nooit meer slapen: „De portier is een invalide (…) Aan zijn linkerhand zitten geen vingers en aan de rechterhand heeft hij niet meer dan een enkele nagelloze stomp overgehouden en de duim. (…) Zelfs geen vinger overgehouden om een trouwring aan te dragen.”

Het is een schijnbaar zinloze uitweiding (in Hermans-termen: een ‘witte pater’), want we zullen deze portier nooit meer terugzien in het verhaal. Maar qua sfeer is de opening veelbetekenend: de zoektocht van de jonge natuuronderzoeker Alfred Issendorf naar meteorietinslagen in het hoge noorden van Finnmark kan alleen maar faliekant misgaan.

Nog enkele kleine mooi zinnetjes, bijna fotografisch geschreven, uit Nooit meer slapen: „De douche is een harde borstel van water.”

Als Alfred de stokoude Professor Nummedal observeert: „Als een draperie hangt zijn hals in zijn te wijde boord.”

In het vliegtuig: „Het raampje waaraan ik zit, geeft uitzicht op de bovenkant van een vleugel, waar niets te zien is.”

Beelden die in het Fotomuseum in Rotterdam op de tentoonstelling hadden kunnen hangen, had Hermans ze niet met de pen maar met een camera vastgelegd.

Hermans’ foto’s onthullen sterk zijn hang naar het surrealisme, een stroming waar hij zich als beginnend schrijver toe aangetrokken voelde. Hermans was zeer geïnteresseerd in dromen, droomprotocollen, de relatie dromen-literatuur en surrealistische dogma’s.

Wat me verrast en aantrekt in zijn foto's, is zijn humor, Hermans is in zijn fotowerk veel milder dan in de meeste van zijn geschriften. Niet alleen teksten in het beeld, ook Hermans’ korte titels spelen een belangrijke rol en geven de foto’s een ironische dimensie. Fons Rademakers in een treincoupé, met zijn vrouw Lili die lacht, heet Slapende cineast en zijn bewonderaarster. Vergis ik me, of is er zelfs iets van goed humeur zichtbaar?

Opvallend is dat hij alleen foto’s maakt op reis, in zijn vrije tijd vermoed ik. In de fotografie was Hermans eigenlijk onzeker, zoals te lezen valt in zijn inleiding in Koningin Eenoog. Hij prutst met de ontwikkelvloeistof, net als Osewoudt. Hermans houdt van camera’s zoals hij van typemachines houdt, of horloges. Had hij minder tijd besteed aan polemieken over de apostrophe-s (Homme’s hoest, Filip’s sonatine), maar meer tijd aan zijn Leica, dan was hij stellig verder gegaan in het ontwikkelen van zijn eigen stijl en fototechniek.

Zijn onderwerpen en composities verraden invloeden van de grote Fransen van zijn tijd. Henri Cartier-Bresson (nonnetje springt over waterplas met daarin haar springende spiegelbeeld), en de lichtvoetige Robert Doisneau (autoritaire gendarme passeert stenen poort in de vorm van de opengesperde muil van de duivel). Onmiskenbaar zien we iets van de beeldtaal van de veel drogere Nederlandse surrealist fotograaf/filmmaker Emile van Moerkerken. De afdrukken zijn prachtig, en deze 26 foto’s maken nieuwsgierig naar alles wat Hermans verder in zijn doka als een alchemist in zijn spoelbakken zag ontstaan. Ook met een camera in de hand, en – als je eerlijk bent – met een iets bescheidener talent dan in de letteren, manifesteert zich Hermans unieke brein.

Hij schreef in het slotwoord van zijn Fotobiografie: „Wat is slagen? Wat is mislukken? Berthold Schwarz wilde goud maken. Het mislukte. Maar hij werd de uitvinder van het buskruit. Gesteld nu eens dat hij wel degelijk de kunst van het goud maken zou hebben uitgevonden en niet het buskruit? Dan zouden ze nu over hem zeggen: ‘Hij heeft het buskruit niet uitgevonden.’”

In analogie daarvan zou ik zeggen; Hermans’ boeken vormen zijn goud, en zijn foto’s zijn buskruit. En hij heeft beide, ondanks een hem zo vijandige wereld en bedriegende werkelijkheid, op zeer individuele wijze uitgevonden.

Dit is een bewerkte versie van de lezing die Thom Hoffman gaf bij de opening van de expositie ‘De donkere kamer van Hermans’, t/m 13 jan te zien in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam in het kader van de grote bibliotheekcampagne Nederland Leest. Inl: nederlandsfotomuseum.nl