Column

De culturele neutronenbom

Laat ik het er maar meteen uitgooien: ik was nog nooit in de Rabozaal geweest.

De Amsterdamse Schouwburg en cultureel centrum De Melkweg liggen nagenoeg tegen elkaar aan, de plattegrond biedt weinig meer ruimte dan voor een fietsenstalling, maar op kunstige wijze heeft men toch een volwaardige theaterzaal tussen die gebouwen in weten te puzzelen, met vijfhonderd stoelen. Een schitterend gebouw. Modern, robuust, stijlvol en luxueus. Het zal allicht duurder kunnen, maar nergens treft het oog iets waarvan je denkt: ‘Jammer, dat had mooier gekund.’ Of: ‘Tja, toen was het geld op.’ Het is eerder andersom. ‘We worden toch maar weer verwend’, denk je als je de deur naar de ‘Heren’ opent en een fonkelende zaal betreedt, een oogstrelend ensemble van keramiek, spiegelglas en rvs, om je blaas te legen in een designurinaal, terwijl in de al even prettig geoutilleerde foyer een glaasje betaalbare bubbly wacht.

OBA, Muziekgebouw aan ’t IJ, Eye, de Rabozaal, het heropende Stedelijk, in al die recent opgeleverde cultuurtempels bekruipt mij hetzelfde gevoel: ‘Wow. Kosten nog moeite gespaard.’

Ik deelde dit met een vriend, na afloop van de voorstelling in de Rabozaal, bij eerdergenoemd glaasje. ‘Tja, dat is Nederland,’ zei hij. ‘Wij hebben geen cultuurbeleid, wij hebben een cultuurgebouwenbeleid.’

Een rake samenvatting.

Ons cultuurbeleid is nog steeds geworteld in het oude dictum van Thorbecke, dat het de staat niet past er een mening over kunst op na te houden. Regel één in het Handboek Bewindspersoon Cultuur: bewijs lippendienst aan Thorbecke. Dat Thorbecke überhaupt niets in gesubsidieerde kunst zag, is kundig uit het verhaal gesneden, wat rest is de richtlijn: wel subsidie, geen opvatting. Je zou het cultureel laïcisme kunnen noemen. Behalve tussen kerk en staat is er ook een scheiding tussen kunst en staat. Dat maakt het makkelijker om te investeren in infrastructuur dan in content. Niet in kunst, maar in kunstgebouwen. Nederland heeft 158 schouwburgen, één voor elke honderdduizend inwoners. Veel meer dan de landen om ons heen. Veel te veel, zeggen deskundigen. Serieus aanbod om al die podia mee te vullen, is er niet, zodat op die dure planken negen van de tien keer amusement staat. Cabaret, of een exotische trommelband.

Toen werd het crisis. Er moest bezuinigd worden op cultuur.

Die gebouwen breek je niet meer af, en al deed je ’t, het zou niets opleveren, dus de scalpel gaat naar de variabele kosten. De content. Wat de publieke omroep de afgelopen dertig jaar in beton, staal en glas geïnvesteerd heeft, is een veelvoud van wat er nu op programma’s bezuinigd moet worden. Kunstbeleid als neutronenbom: dood al het leven, laat de gebouwen intact.

In Duitsland is Thorbeckes taboe onbekend, legde Johan Simons mij eens uit, die daar sinds enkele jaren werkt als artistiek leider van de Münchner Kammerspiele. In Duitsland mag een politicus behalve over gezondheidszorg, inkomensverdeling en onderwijs óók een mening over kunst hebben. Dat die voorkeur ook zijn beleid stuurt, vindt niemand vreemd. Een minister van Cultuur die een staatsprijs moet overhandigen aan een schrijver die hem graag met Adolf Eichmann vergelijkt – het overkwam Elco Brinkman – dat zal in Duitsland niet gauw gebeuren. Politieke macht is culturele zeggenschap.

Dat is waarom VVD en PVV zo graag in de kunstsubsidies snijden. Het is niet dat ze een hekel aan kunst hebben, ze hebben alleen geen zin om kunst waar ze een hekel aan hebben financieel te ondersteunen. Ze zouden dat geld liever aan kunstenaars geven die ze wél goed vinden (en die hén ook goed vinden), maar dat kan dus niet. Het geld zit in gebouwen en de rest wordt verdeeld door ‘onafhankelijke deskundigen’. Die natuurlijk allemaal PvdA, D66 of GroenLinks stemmen!

Tja. Hakken dan maar.

Thorbecke had gewoon ongelijk. Laten wij zijn doctrine opdoeken. Dan zijn we eindelijk af van die rancunebezuinigingen. De prijs is iets langer rijden voor je bij het theater bent, iets minder urinoirs om uit te kiezen. O ja, en dat eens in de zoveel jaar de culturele wind kan draaien. Maar dat lijkt me eigenlijk niet zo’n bezwaar. Des te scherper moet er gezeild worden.

Jan Kuitenbrouwer is journalist, schrijver en directeur van de Taalkliniek.