Berlusconi’s wandelende geldautomaat

Afgelopen week had ik een gesprek met een ondernemer die zaken doet in Italië en waaruit wellicht een sprankje hoop valt op te tekenen voor de financiële markten: ‘Wij –zijn bedrijf doet in dure zonnebrillen- hebben de afgelopen twee maanden een duidelijke stijging van de omzet gezien. Het lijkt erop dat in Italië de bodem is bereikt.’ Nu bieden in het verleden gehaalde resultaten geen garantie voor de toekomst maar feit is het dat de financiële verslaggeving thans vooral oog heeft voor de macro-economische perikelen van Griekenland en Spanje.

Misschien moeten we het daarom ook maar als hoopgevend voor Europa beschouwen dat het Italiaanse nieuws over geldstromen zich inmiddels weer op roddelniveau afspeelt.

Vanochtend meldde bijvoorbeeld de Volkskrant dat ‘Italië thans in de ban is van Berlusconi’s (wie anders?) ‘ wandelende geldautomaat’, de alias van ene Giuseppe Spinelli, omdat hij de meisjes betaalde die op Berlusconi’s fameuze bunga-bungafeestjes kwamen. We zullen er spoedig niets meer van horen, veronderstel ik.

Het herinnert mij aan het hoofdstuk Italië van Hugh Johnson’s Wijngids 2011. Daarin verzuchtte de schrijver: ‘Als de wereld op zijn laatste benen zou lopen, zou het leven in Italië gewoonlijk net zo doorgaan als daarvoor.’

Hij wijst op een zaak die in 2008 speelde en die als Brunellopoli door het leven gaat. Het is een schandaal waarin enkele wijnboeren ervan beschuldigd werden andere druiven voor Brunello di Montalcino te gebruiken dan sangiovese.

‘Het was dramatisch’, vervolgt Johnson. ‘Wijnhuizen en hun wijnen werden geconfisqueerd: een groot schandaal. Twee jaren zijn verstreken en alles is rustig. De beschuldigingen van de autoriteiten zijn ingetrokken, Montalcino houdt zijn adem in terwijl de wijnwereld het vergeet. Dat is Italië’, besluit hij.

En nu, eind 2012, heb ik er ook niets meer over vernomen. Terwijl ik toch met veel belangstelling dagelijks de ontwikkelingen in de wijnwereld volg. Omdat destijds overigens de grote producenten ook de grote boosdoeners bleken, kon ik zonder enige argwaan de Rosso di Montalcino ‘Corte Pavone’ 2010 van Loacker openen.

Niet in de laatste plaats, omdat het hier ook gaat om de wat minder kostbare ‘basis-wijn’ uit de streek. En waarom zou je daar mee rommelen? Hoewel, ook dat weet je in Italië nooit. Nog vers in het geheugen liggen de malversaties met spotgoedkope tafelwijn die versneden bleek met nog voordeliger bietensap. De inhoud bleek maar voor een vijfde druivensap.

Maar enfin. Daar hoef ik bij het biologisch werkende Loacker niet voor te vrezen. En proeven stelt nog meer gerust. Stevige, stoer-bittere kersen met mannelijke rondingen. Mooie zuren. Aardsheid, een zoete peperigheid en overall schandalig lekker.