Sluit Turkije en Balkan aan bij de EU

Europa verwaarloost zijn potentiële groeimotoren. Uitbreiding van de EU en een grotere interne markt zijn nu nodig, betoogt Dick Benschop.

De Europese samenwerking is decennialang een project geweest van verzoening. Over het succes kan maar één conclusie getrokken worden: dat is gigantisch. Het is terecht dat Europa de Nobelprijs voor de Vrede ontvangt.

Deze prijs komt alleen te laat. We hebben Europa niet meer nodig om de Duitsers en de Fransen uit elkaar te houden, maar voor twee samenhangende zaken. Ten eerste om de wezenskenmerken van ons economisch-sociale model in een globaliserende wereld te kunnen realiseren, juist ook door het model te hervormen waar dat nodig is. Ten tweede om politiek relevant te blijven in een wereld van verschuivende machtsverhoudingen. Met andere woorden: het gaat nu om onze positie in de wereld, economisch en politiek.

Dit leidt tot de fascinerende paradox dat het Europa van de naoorlogse verzoening een uiterst politiek project was, dat werd vormgegeven in economische termen: gemeenschap van kolen en staal, interne markt, monetaire unie. Omgekeerd wordt de tegenwoordige economische missie van de rol van Europa in de wereld vooral beschreven in politieke termen: een politieke unie. Dit laatste is volgens mij onderdeel van het probleem.

De Europese vertrouwenscrisis – of je het nu een eurocrisis of een schuldencrisis noemt – vertroebelt het zicht. Het crisismanagement was niet om over naar huis te schrijven. Er is twijfel gezaaid over het bijeenblijven van de eurozone. Hierop bleven de markten de besluitvormers verder testen en uitdagen. Dat werkte dus averechts. Uiteindelijk heeft de Europese Centrale Bank (ECB) in augustus de voorlopig beslissende zet gedaan, met de Outright Monetary Transactions – de intentie om waar nodig obligaties op te kopen, gekoppeld aan een hervormingsprogramma. Dit was het grote wapen. De renteverschillen lopen terug, zonder dat de ECB ook maar één obligatie heeft opgekocht. Hieruit valt iets te leren. Het is aan de lidstaten om te werken aan verder vertrouwensherstel, met bezuinigingen en hervormingen.

Dan kunnen we de blik weer naar buiten richten. De wereld is zo competitief geworden dat het bedrijven, staten en individuele burgers raakt. Waar halen wij in Europa onze economische groei vandaan? De bevolking groeit niet of nauwelijks. De vergrijzing zal toeslaan. Er zal dus geen ruimer arbeidsaanbod zijn dat de groei kan stimuleren. Daarom moeten we de arbeidsproductiviteit verbeteren. Bezuinigen is noodzakelijk, maar we hebben groei nodig. Die zal moeten komen uit innovatie. Verbeterde samenwerkingen tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen is hierbij van groot belang, zoals in Nederland wordt beoogd met de topsectorenaanpak.

Er is echter nog een potentiële groeimotor: de uitbreiding van de Europese interne markt. Deze wordt verwaarloosd. De historische ervaring zou richtinggevend moeten zijn. Het succesverhaal van de landen van Midden- en Oost-Europa kan niet worden onderschat. Als onderdeel van de Europese Unie zijn zij net zo hard gegroeid als de landen in Zuidoost-Azië. De oude lidstaten hebben op hun beurt enorm hiervan geprofiteerd. Vandaar mijn pleidooi om de uitbreiding van de Unie weer boven aan de agenda te zetten. Voor de Balkanlanden en Turkije praten we dan over lidmaatschap van de EU; voor Oekraïne en de landen om de Middellandse Zee eerder over aansluiting bij de interne markt, zonder per se of direct lid te hoeven worden van de unie. Zo’n veel grotere Europese economische zone biedt enorme economische en politieke voordelen.

Maar, hoor ik hier en daar al denken, het gaat toch juist om de verdieping van de Europese samenwerking, om de eurozone, zelfs om een kerngroep daarbinnen en om het realiseren van het oude ideaal van de politieke unie? Ik denk het niet.

Het uitgangspunt moet blijven dat je slechts bevoegdheden naar Brussel verschuift als dat absoluut nodig is. De reden voor deze terughoudendheid is dat je de besluitvorming verder wegbrengt van de burgers. Ik denk dat de europhorics met vuur spelen. Verhofstadt en Cohn-Bendit doen mij denken aan de toenmalige Duitse minister Fischer (Buitenlandse Zaken), die ruim tien jaar groot voorstander was van een Europese Grondwet. Hoe goed je de Europese democratie ook denkt te kunnen vormgeven, het zal nog lange tijd niet hetzelfde gevoel van nabijheid geven als Den Haag.

Bovendien is er geen draagvlak voor een Europese politieke unie. Een bankenunie lijkt een goed voorbeeld. Daar is het wel nodig om te ‘europeaniseren’, maar is er werkelijk een nieuw verdrag nodig voor betere begrotingsdiscipline? We hebben al het Verdrag van Maastricht, het Stabiliteits- en Groeipact, het Fiscal Compact, de Sixpack, de Twopack en wat dies meer zij. Afspraken nakomen is belangrijker dan een nieuw verdrag.

Waar we wel meer Europa nodig hebben, is op terreinen waarop de nationale lidstaten op eigen houtje niet meer effectief kunnen zijn: buitenlandse politiek, veiligheid, migratie, handel, ontwikkeling, energie en klimaat. En er moet veel meer aandacht zijn voor het afmaken en uitbreiden van de interne markt.

Het hierboven geschetste visioen over een selectief, maar wel veel groter Europa is niet minder visionair dan dat van een Europese federatie.

Dick Benschop is president-directeur van Shell Nederland en oud-staatssecretaris (Europese Zaken, PvdA). Dit artikel is een bewerking van zijn toespraak van gisteren bij de aanbieding van het Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2012.