Professor Spinvis laat zich leiden door toeval

Liedjesmaker Spinvis wordt ‘Cultural Professor’ in Delft. Hij gaat met studenten een organisch bouwwerk maken.

Spinvis houdt van het toeval. „Dat is de manier waarop ik mijn liedjes maak”, zegt hij. „Ik doe de deur open, gooi mijn sleutels weg en ga naar links of naar rechts. Gaandeweg ontwikkelt zich iets.” Dat is ook de manier waarop hij te werk wil gaan met zijn studenten, als hij in het voorjaar drie maanden ‘Cultural Professor’ mag zijn aan de TU Delft.

Toch heeft Spinvis wel een plan hoe hij het toeval een handje gaat helpen. Het startpunt van het onderzoek dat hij met de studenten wil gaan doen, is het Palais Idéal du Facteur Cheval in Hauterives (Drôme, Frankrijk), een organisch bouwwerk dat een Franse postbode bouwde van de stenen die hij op zijn dagelijkse rondes vond. Spinvis maakte daar in 2004 al eens een hoorspel over, samen met anderen.

Hoe gaat u studenten selecteren?

„Ik vraag alle studenten die zich aanmelden om een hoorspel van een minuut te maken. Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn, het mag ook op een smartphone. Daarin moeten ze duidelijk maken wat zij het spannendste en belangrijkste vinden dat er op dit moment in hun vakgebied gebeurt. Zo hoop ik erachter te komen hoe creatief en geïnspireerd ze zijn en wat hot is in hun vakgebied.”

Wat wilt u de studenten leren?

„Veel ontdekkingen komen tot stand door toeval, niet door gericht onderzoek. Dat wil ik hen laten ervaren. Toch moet er ook iets zijn van een innerlijk kompas dat ons drijft. Als ik een liedje schrijf, laat ik me leiden door het toeval, maar maak ik ook telkens keuzes. Elke keuze die ik maak, zorgt ervoor dat ik daarna minder keuzemogelijkheden heb.”

Hoe vertaalt u dat in een lesprogramma?

„We gaan eerst naar het Palais Idéal. Dat hoort bij het programma van de Cultural Professor, samen naar een plek gaan waar je inspiratie opdoet. Vervolgens doorlopen we negen stappen. Ik wil werken met een groep van 24 of 32 studenten, daar ben ik nog niet helemaal uit. Dat aantal is belangrijk, want ik ga de studenten verdelen in een A- en een B-groep, en die verdeel ik weer onder in vier cellen. Vervolgens vertel ik de studenten een verhaal dat ik zelf schrijf, een sprookje. Daar komt een aantal vragen uit. Bijvoorbeeld: ‘Hoe ziet Gods horloge eruit?’ Alle cellen moeten die vragen beantwoorden. De antwoorden worden uitgewisseld. In de volgende stap voeg ik telkens cellen samen, en moeten ze nieuwe antwoorden beantwoorden en uitwisselen. Zo ontstaat er vanzelf een organisch bouwwerk. Uiteindelijk werken we samen aan één ding, één wezen.”

Wat hoopt u dat eruit komt?

„Ik hoop dat er iets uitkomt wat niemand had kunnen bedenken maar dat wel nuttig is. Ik ga werken met studenten uit verschillende disciplines, van bouwkunde tot ruimtevaarttechnologie en biotechnologie. Het is spannend om dat allemaal te combineren in één project. Misschien zitten er wel studenten bij die intelligente bacteriën gaan programmeren, wie weet.”