Niks mis met een lelijk kantoor

Vandaag de laatste aflevering van het kantoorkwartet. Over afscheid nemen van oude, lelijke kantoren.

Het zal ongetwijfeld de sector zijn, maar ik ben mijn hele kantoorleven al omringd door lelijkheid, afbraak, neergang en verval.

Stoelen met de vulling eruit, vergeelde lamellen met gaten, spuuglelijk meubilair, kansloze planten en een desolaat en tochtig kantoorpark met de files op de A20 als decor.

Ik heb me daarin altijd heel erg op mijn gemak gevoeld.

Er is helemaal niks mis met een lelijke kantoortuin die om je heen in elkaar stort. Heerlijk, die jaren-80-architectuur. Het treurige zitje in de hal waar het angstzweet van duizenden sollicitanten is ingetrokken. Zo’n kwijnend systeemplafond waar hier en daar een plaat ontbreekt. Het doodse beton. De trieste muren met onbestemde spatten. De nepkristallen blokken bij de entree die zo ontroerend onder de plastic kerstboom glimmen. Een pand waar in een straal van 10 kilometer geen zichzelf respecterende horeca te vinden is. Waar je wegwaait van het dakterras.

Er komen de beste producten vandaan.

Dat is omdat lelijkheid stimuleert. Omdat je bij lelijkheid zelf zo glanzend afsteekt. Omdat lelijkheid geen eisen stelt, niets gek vindt en overal blij mee is. Lelijkheid heeft geen dubbele agenda. In een lelijk huis schop je je schoenen uit. Hier is je familie.

Je bent er thuis.

In een lelijke kantoortuin kan ook af en toe wat kapot. Dat is fijn. Het is fijn dat je er kan voetballen, een potje kan sprinten, een doe-het-zelf-drone kan testen of met bureaustoelen kan racen zonder je druk te hoeven maken over je verzekering. Het is mooi dat je er Indiaas kan eten zonder dat het erg is dat het lekt. Het is mooi om te zingen bij de valse piano.

En toch is het nu voorbij.

Binnenkort vertrekt deze krant naar de dynamische architectuur van het Rokin in Amsterdam. Met hippe beeldschermen op de pui. Met een transparante vergaderkubus in het atrium. Met hysterische ruwhouten bureaus, een strak debatcentrum, blakende horeca en een zinderend uitzicht op de city that never sleeps.

Het stemt mij droevig.

Ons lelijke pand maakte ons een familie. Nu gaan we naar onze mooie stiefmoeder met het witte interieur. Leuk voor papa.

Maar de kinderen zijn er nog niet helemaal uit.