Hun zijn groter als u

Echt harde regels voor goede of foute taal bestaan eigenlijk niet, behalve voor spelling. Hoewel taalpuristen anders zouden willen, komt er nooit een einde aan discussies over verandering in de taal.

Taal ontstaat vanzelf. De taal die wij nu spreken, is anders dan die van vijfhonderd jaar geleden, en ook weer heel anders dan tweeduizend jaar geleden. Toen bestond er nog niet eens iets wat je Nederlands zou kunnen noemen: er was een gemeenschappelijke voorouder van het Nederlands, het Duits, het Engels, het Fries, etc. De varianten van deze Germaanse oertaal hebben zich langzaam maar zeker tot de huidige zelfstandige talen ontwikkeld.

Niemand heeft dit van tevoren bedacht. Niemand heeft bepaald welke taal (of welk dialect) waar moest worden gesproken, waaraan die taal allemaal moest voldoen om een taal genoemd te kunnen worden, hoe hij eruit moest zien. Niemand heeft bevolen dat er vanaf een vast moment onderscheid moest worden gemaakt tussen het Duits en het Nederlands. Het is allemaal op een min of meer natuurlijke manier verlopen.

Bij dit alles staat centraal dat taal een communicatiemiddel is. Dat communiceren lukt alleen als je elkaar begrijpt, dus als je grotendeels dezelfde woorden en zinsconstructies gebruikt. Hoe meer je met elkaar praat, hoe meer de contouren zichtbaar worden van wat – binnen een taalgebied – wel en niet geaccepteerd wordt.

Daardoor zijn onder taalgebruikers opvattingen ontstaan over wat wel en wat niet goed Nederlands is. Bijvoorbeeld ‘de buurman komen morgen op de koffie’ – daarvan vindt iedereen dat het geen goede zin is. Daarom geldt het als een foute zin. Maar bij ‘de buurman of de buurvrouw komen morgen op de koffie’ is die opvatting minder sterk: veel mensen zullen het woord ‘komen’ in die zin fout noemen, maar er zullen ook genoeg mensen zijn die er niets raars aan horen.

Die opvattingen van taalgebruikers over wat wel en niet goed is, worden wel ‘de taalnorm’ genoemd. De taalnorm ligt nergens officieel vast (op de spelling na; daarover later meer). Hij ‘waart rond’ onder de sprekers van de taal. Zoals iets pas literatuur is wanneer ‘men’ vindt dat het literatuur is, en iets asociaal gedrag als ‘men’ het asociaal gedrag vindt, zo is er sprake van goed taalgebruik als ‘men’ het goed taalgebruik vindt.

Over die norm wordt geschreven in taalboeken en op taalwebsites; de samenstellers daarvan hebben een goed gevoel voor wat er allemaal wel en niet geoorloofd is binnen de grenzen van die taalnorm. Dat beschrijven ze. Vaak nemen ze een genuanceerd standpunt in. Bijvoorbeeld: de ene constructie heeft de voorkeur, maar de andere is niet fout. Of: het ene is gangbaar in Nederland, het andere in België.

De taalnorm leren we, als het goed is, ook op school. Maar de lessen op school en de taalboeken ten spijt kunnen de opvattingen van taalgebruikers in de loop van de tijd veranderen. Dat gaat nooit heel snel. In de negentiende eeuw was het gewoon om te zeggen ‘u is een heer’ en ‘jullie hebt me verstaan’. Tegenwoordig is de norm ‘u bent een heer’ en ‘jullie hebben me verstaan’. ‘U is’ en ‘jullie hebt’ zijn nagenoeg uitgestorven.

De eerste persoon die ‘hun hebben het gedaan’ zei, zal waarschijnlijk vreemd zijn aangekeken. Maar als steeds minder mensen erover vallen, raakt een afwijkende constructie langzaam maar zeker geaccepteerd. ‘Hun hebben’ bestaat al meer dan honderd jaar – dat weten we omdat in 1911 een taalkundige hieraan al aandacht besteedde. Het moet dus al vóór 1911 ergens in de spreektaal zijn voorgekomen – misschien al wel in de negentiende eeuw.

Mag je dan na ruim een eeuw zeggen dat het goed Nederlands is? Nee, je kunt het spreektaal noemen, of volkstaal, of dialect, maar in schriftelijke teksten wordt het – volgens de taalnorm – nog altijd afgekeurd.

Met ‘groter dan’ en ‘groter als’ ligt het iets ingewikkelder. Die twee vormen kwamen ook eeuwen geleden al beide voor – niet alleen in volkstaal, maar ook bij bekende schrijvers. Hetzelfde geldt voor ‘een aantal mensen is’ en ‘een aantal mensen zijn’, en voor ‘je kan’ en ‘je kunt’.

Al eeuwen proberen taalboeken duidelijkheid te geven over zulke kwesties. Er zijn veel mensen die de ene variant goed vinden, veel die de andere goed vinden, en ook heel veel die het weinig uitmaakt. De taalnorm is in zo’n geval meestal dat het grammaticaal gezien allebei mag, allebei goed is. Alleen zijn er zó veel mensen die ‘groter als’ afkeuren dat de taalboeken waarschuwen dat dit beter niet gebruikt kan worden. Maar het is nergens officieel vastgelegd. En dus modderen we voort met – in veel gevallen – twee mogelijkheden.

Het enige waar officiële regels voor zijn, is de spelling. Die regels zijn te vinden in bijvoorbeeld het Groene Boekje en de dikke Van Dale (sinds 2005). Bij spelling gaat het om de vraag hoe je een woord schrijft, zoals ‘hondenhok’ of ‘carrousel’. Zaken als ‘groter als/dan’, ‘een aantal is/zijn’, ‘zij/hun/hen’ en ‘je kan/kunt’ vallen niet onder spelling: het zijn grammaticale kwesties. En er zijn nog zoveel meer onderwerpen: de betekenis van woorden, het bijbehorende lidwoord, de mogelijke meervoudsvormen. Voor zover het Groene Boekje en Van Dale daar iets over zeggen, is het gebaseerd op de taalnorm, en niet op officiële regels.

Wie daar dus iets over wil weten, kan terecht in taaladviesboeken, of op een goede taal-advieswebsite, zoals die van de Nederlandse Taalunie (taaladvies.net) of Onze Taal (www.onzetaal.nl/taaladvies). De adviezen die daar staan, zijn gebaseerd op wat daarover in (andere) taalboeken geschreven is, op wat in de praktijk voorkomt, op objectieve onderzoekjes onder ervaren schrijvers en sprekers. Dit alles is uiteindelijk een weerspiegeling van de heersende opvattingen onder de taalgebruikers.

Dus wie bepaalt wat goed Nederlands is? Wij met z’n allen – de sprekers van het Nederlands.