Goed in gezichten

In de serie ‘dingen die erfelijk zijn en waar je je moeder niet over durft te bellen’, vandaag de aflevering ‘Gezichten herkennen’. Want ja, daar verschillen mensen enorm in: sommige mensen herkennen al van grote afstand mensen op feestjes en recepties, beitelen zich iemands gezicht na één keer zien voor altijd in het geheugen, zien meteen of op twee verschillende foto’s dezelfde persoon staat, weten altijd binnen een fractie van een seconde wie-dat-ook-weer-was. En voor andere mensen geldt dat dus, eh, helemaal niet.

En ja, uit onderzoek blijkt dat dat voor een deel erfelijk bepaald is. En nee, ik ben er inderdaad niet bovengemiddeld goed in. Als kind raakte ik bij films de draad al kwijt als er drie mannen met kort donker haar in meededen, want die kon ik dan niet meer uit elkaar houden (inmiddels let ik ook op neuzen). Nog steeds is er op menige receptie iemand die ik niet herken, terwijl dat wel zou moeten. Ik heb het natuurlijk weer lang niet zo erg dat het een interessante aandoening mag heten (gezichtsblindheid, Oliver Sacks heeft dat, daar kun je op zo’n receptie nog mee aankomen) maar gewoon nét genoeg om een paar keer per jaar in een ongemakkelijke situatie te belanden. Vooral in werksituaties is het lastig, bij mensen van wie je nog iets wilt. „En het wordt alleen maar erger naarmate je ouder wordt”, voorspelde een iets oudere, goede collega onlangs vriendelijk.

Die collega durfde er in elk geval over te praten. Ik ben weleens bang dat het een taboeonderwerp is. Zelf durf ik bijvoorbeeld niet eens mijn moeder te bellen om te vragen of zij er ook last van heeft. Omdat ze dan vast zegt ‘gut nee, nooit gehad’, en ik moet concluderen dat het niet aan mijn genen ligt, maar aan mijn eigen klunzige sociale vaardigheden. En dat ik me dus terecht een idioot voel als ik op straat mensen terug moet groeten die mij heel goed lijken te kennen (maar wie zijn het in vredesnaam). Of weer eens enthousiast een wildvreemde gedag zeg om er vervolgens innerlijk ineenkrimpend achter te komen dat het een wildvreemde is.

Maar met sociale vaardigheden heeft het dus niets te maken. Of je goed of slecht bent in gezichten, daar kun je weinig aan doen. Het is heel moeilijk te trainen, blijkt uit het weinige onderzoek dat daarnaar is gedaan. De troost is dat ook mensen die er goed in zijn, hun slechte dagen hebben, en andersom. Iederéén maakt er fouten in. Misschien ook wel die mensen die mij op straat zo enthousiast groeten, terwijl ik geen idee heb wie ze zijn. Misschien ben ik er wel veel minder erg aan toe dan zij.