Een brede school, maar dan nóg beter

Na de brede school is er nu het Integraal Kindcentrum. Dat is een school, crèche en voor-, tussen- en naschoolse opvang onder één directeur.

Almere. De kinderen van juffrouw Dieuwke trekken net hun jas aan om naar het speelplein te gaan. Het zijn de jongste leerlingen van sterrenschool De Ruimte in Almere, 4 tot 7 jaar oud. Hun lokaal is onderverdeeld in een klassiek, zij het modern schoollokaal, en een atelier met zithoek. Deze kinderen gebruiken dat atelier, maar ook de kinderen die na de reguliere schooltijd op school blijven, bij de naschoolse opvang.

De school bestaat pas een paar weken. En het is niet gewoon een school, maar een Integraal Kindcentrum (IKC). Het eerste IKC in Almere en een van de eerste in het land. En dat atelier in de klas, zegt directeur Fred Molenberg, is exemplarisch voor wat we willen met het integraal kindcentrum. „Geen kunstmatige scheidslijnen tussen school en voor-, tussen- of naschoolse opvang.” En tussen crèche en school, want het IKC is voor kinderen van 0 tot 12 jaar.

Het idee van de kindcentra is eenvoudig: waarom de ontwikkeling en opleiding van een kind opknippen in delen, en tussen verschillende organisaties, als het veel voordelen biedt om dat binnen één organisatie te doen? Of die nou school of Integraal Kindcentrum heet.

Want de voordelen zijn onmiskenbaar, zegt directeur Molenberg. Op de eerste plaats de pedagogische voordelen. Hij noemt het: het bewaken van de doorgaande lijn in de ontwikkeling van het kind. „Hoe een kind leert, of zich ontwikkelt, openbaart zich bijvoorbeeld vaak al vroeg”, zegt Molenberg. „Vóór het kind naar school gaat.”

Hij noemt het een gemiste kans dat er op de crèche vaak onvoldoende aandacht is voor de individuele ontwikkeling van kinderen. En dat er vaak geen, of geen goede overdracht is tussen kinderopvang en school. „Daar wordt echt kostbare tijd verloren. Rond de tweeënhalf jaar zijn kinderen bijvoorbeeld heel erg bezig met taal. Achterstanden heb je dan snel ingehaald, als je er op tijd bij bent. En sommige kinderen lopen wat voor, die vervelen zich het laatste jaar op de crèche. Die zouden bijvoorbeeld af en toe kunnen meedraaien in groep één.”

Maar er zijn ook praktische overwegingen. Buitenschoolse opvang zou beter aansluiten op school als beide onder één bestuur stonden en een locatie deelden. „Rustiger voor de kinderen én de ouders”, zegt Molenberg. Een doorlopend programma van 7:30 uur tot 18:30 uur. „Niet iedere dag voor ieder kind natuurlijk, maar de dagen dat het nodig is, kán het ook.”

Directeur Molenberg is niet de enige die de pedagogische en praktische voordelen van het IKC ziet. De oprichting van dit centrum wordt gesteund door de gemeente Almere. En Almere maakt deel uit van een ‘kopgroep’ van twintig gemeenten die onderzoekt welke regelingen en wetten in de weg staan van de vorming van IKC’s. In die gemeenten stimuleren de wethouders van onderwijs de totstandkoming van de centra.

René Peeters, wethouder in Almere, is een van hen. Hij noemt het IKC een „logische volgende stap” na de brede school. Een brede school, gestimuleerd door de rijksoverheid, combineert ook onderwijs en opvang, en zaken als cultuur en sport. „Maar in de praktijk werkt dat niet altijd”, zegt Peeters. „Het is een samenwerking tussen losse, bestaande organisaties. Dan is het te veel afhankelijk van toeval of er iets van terechtkomt.”

Dat komt, zegt Peeters, omdat er altijd verschillende directeuren zijn die het eens moeten worden. Het essentiële verschil met de brede school is dan ook dat bij het IKC al die voorzieningen onder één leiding staan. „Eén pedagogische omgeving, één team, één school.” Het liefst op één locatie, maar dat zal meestal niet meteen kunnen.

Het idee klinkt eenvoudig, maar Peeters weet dat dat niet zo is. In zijn gemeente heeft hij er veel aan gedaan om bijvoorbeeld één huisvesting voor IKC De Ruimte mogelijk te maken. Maar op kinderopvang en scholen zijn andere regels van toepassing. In ieder geval voor huisvesting lopen de eisen flink uiteen. Er is ook ander toezicht, de GGD voor de kinderopvang en de onderwijsinspectie voor scholen. En scholen en kinderopvang worden anders betaald: de school (grotendeels) door de overheid, de kinderopvang (grotendeels) rechtstreeks door de gebruikers. Of, kort gezegd, de school is gratis en verplicht, de kinderopvang is een keuze waar je voor betaalt.

„Het zou helpen als kinderopvang bij het ministerie van Onderwijs wordt ondergebracht in plaats van bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid”, zegt Peeters.

Zover is het nog niet, maar er is een groeiende aandacht voor de gebrekkige aansluiting tussen school, opvang en werk van de ouders – en de gevolgen daarvan voor kinderen.

Twee jaar geleden werd de wet OKE van kracht, die de gemeente verantwoordelijk maakte voor goede, dekkende voorschoolse voorzieningen. Dat was bedoeld om taal- en ontwikkelachterstanden bij peuters te voorkomen. Toen pleitte de VNG er al voor ook voorzieningen voor kinderen tot 12 jaar beter op elkaar aan te laten sluiten. Bijvoorbeeld door ontwikkeling van Integrale Kindcentra. Er zijn nu al meer dan 1.200 Brede Scholen, daaruit blijkt een toegenomen behoefte aan afstemming.

D66, de zelfbenoemde onderwijspartij, had ontwikkeling van IKC’s deze nazomer in zijn verkiezingsprogramma opgenomen: „D66 is voorstander van het verder ontwikkelen van brede scholen naar Integrale Kindcentra (IKC). In een IKC krijgen kinderen een totaalpakket aan ontwikkelingsmogelijkheden. Naast het reguliere onderwijs biedt het IKC ook kinderopvang, voorschoolse educatie, buitenschoolse opvang, sport en cultuur onder één leiding.”

Sommige mensen vinden het een naar idee, kinderen iedere dag de hele dag op school. Kinderen moeten ook kinderen zijn. Maar wethouder Peeters vraagt zich af of wat nu gebeurt niet erger is voor kinderen: eerst naar een crèche, tussendoor aan de basisschool wennen op de peuterspeelzaal, misschien ook nog met een oppas aan huis, dan school, naschoolse opvang, en als het tegenzit ook nog voorschoolse opvang. Vier, vijf verschillende routes en ruimtes om aan te wennen. Peeters: „Uiteindelijk blijft het natuurlijk de keuze van de ouders hoe lang en hoe vaak ze hun kinderen aan de opvang willen uitbesteden. Daar verandert niets aan.”

    • Elsje Jorritsma