Als je het crematorium hebt verlaten...

Bijna tweederde van de Nederlanders kiest voor crematie en niet voor een graf. Hoe gaat dat in zijn werk? Kijken achter de schermen bij het crematorium.

Crematorium Hofwijk in Rotterdam is precies wat je verwacht van een uitvaartgelegenheid: een betonnen jarenzeventigstructuur met een grote parkeerplaats voor en een uitgestrekte urnentuin achter. De receptioniste in donkerblauw mantelpak kijkt serieus en knikt beleefd, het groepje mensen in de hal praat gedempt, de koffieruimte kijkt uit op een vijver met fontein. De flatscreen aan de muur geeft aan dat er een uitvaart bezig is in de Grote Aula. Dit is wat we kennen van crematies: de voorkant.

Maar wat gebeurt er achter de schermen, als de aula leeg is en de kist achterblijft onder de bloemstukken? Dat laat Frank Kenselaar vandaag zien. Kenselaar is als Rotterdamse gemeenteambtenaar de uitvaartwereld ingerold. Eerst was hij hoofd van de afdeling Landmeten, nu van Begraafplaatsen & Crematorium. Hij loopt wat voorover gebogen, de armen over elkaar als hij praat.

Een deur met een zilveren bordje ‘geen toegang’ brengt ons in de ‘logistieke gang’ – gele muren, geel tapijt. „Twee rode lampjes”, fluistert Kenselaar. We sluipen langs de beide aula’s, waaruit zacht geroezemoes klinkt. Een wentelende trap aan het eind van de gang brengt ons naar beneden, naar ‘Oven 1’ en ‘Oven 2’. Als de nabestaanden straks aan de koffie zitten, wordt de kist hierheen gebracht, met een machine die doet denken aan een ouderwetse etenslift. De ruimte voor de ovens ziet er netjes uit. Betonnen vloer, dat wel, maar een donkerrood geschilderde muur, met twee vierkante metalen deuren erin.

„Er zijn tegenwoordig veel families die mee willen naar de kistinvoering”, vertelt Kenselaar. „Daar hebben we de ruimte op ingericht. Onze oude ovenist is net met pensioen, maar die vond het maar onzin, die families erbij. Nabestaanden moeten ook wel goed bedenken of ze het echt willen, vooral met kleine kinderen.” De kist vat soms al vlam voordat de ovendeuren dicht zijn.

Aan de muur hangt een lashelm en een rode handschoen, naast een paneel vol groene en rode knopjes. Boven een grote rode knop staat in blokletters ‘noodgeval’. „Er was laatst een familie die hier wilde blijven zitten tot het crematieproces voorbij was”, zegt Kenselaar. Hoe lang dat duurt? „Nou, dat hangt ervan af. Oude mensen verbranden sneller. Maar als ze bijvoorbeeld chemokuren hebben gehad, duurt het veel langer. Gemiddeld zo’n anderhalf uur.”

De kist wordt via een zilveren rolband richting oven geschoven. „Alles gaat computergestuurd hier”, zegt Kenselaar. „Vanuit de controlekamer.” Hij wijst op een klein glazen hokje in de hoek, afgeschermd met luxaflex. „Wat eerst onze ovenist heette, heet nu ‘medewerker cremeren’. Dat is echt een technisch specialist, die de ovens door en door kent.”

Sinds 2003 laten meer Nederlanders zich cremeren dan begraven (zie kader). Geloof speelt hierin zeker een rol. In 1963 verklaarde de paus geen bezwaar te hebben tegen crematies en sindsdien is het aantal crematies in Nederland gestaag gestegen. Ook hebben migranten nieuwe gewoontes met zich mee gebracht. Hindoestanen kiezen vanuit hun levensovertuiging voor crematie: het vuur bevrijdt de ziel uit het stoffelijk overschot. Ook in het boeddhisme vervult het vuur die taak.

„Sommige mensen vinden het eng onder de grond”, denkt Kenselaar. „Wurmen enzo.” Anderen denken volgens hem meer praktisch: cremeren is goedkoper dan begraven, omdat niet jarenlang een graf gehuurd moet worden. „Maar veel families kopen na een crematie toch een plekje in een urnentuin. En dan kan het net zo duur worden als begraven.”

We lopen langs de controlekamer, nog een deur door. En dan zijn we opeens in een industriële ruimte. Beton, grijs. De trap naar beneden is van roestvrij staal, met een groot grid waardoor je naar beneden kan kijken. Waar je in de vorige ruimte alleen de metalen deur zag, is hier de hele oven zichtbaar. Een enorm gevaarte, zeker drie meter hoog.

’s Ochtends wordt de oven aangestoken en opgestookt tot een temperatuur van zo’n 800 graden. Als de kist erin gaat, wordt die met een korte steekvlam in brand gezet. Dat zorgt voor een temperatuur van ongeveer 1.200 graden, die nodig is om het lichaam te verbranden. „Als je een lichaam zomaar op een brandstapel gooit, houd je alle botten nog over”, zegt Kenselaar. „In deze oven zit dus veel techniek om het lichaam zo goed mogelijk te verbranden. En om de lucht die wordt uitgestoten schoon te houden.” De hitte van de oven wordt gebruikt om het pand te verwarmen.

Voor de oven staat een aantal bakken, gevuld met wat eruit ziet als opgebezemde, stoffige troep. Houtskool. Maar dichterbij zijn botjes te herkennen, een gewricht, een stukje bekken, het pootje van een bril. Dit zijn de resten die met een metalen trekker van de stenen vloer van de oven zijn geschraapt. Een lichaam komt niet als fijne as naar buiten.

Uit de bak waarover ik gebogen sta, vist Kenselaar een rond schijfje. Het is een vuurvast steentje, dat in elke kist wordt gestopt om zeker te weten wiens as dit is, met een nummer als 768300.

Voordat de familie de as meekrijgt, moet er eerst nog een en ander gebeuren. Protheses worden in de ‘prothesebak’ gegooid. Waardevolle metalen, zoals gouden tanden, gaan in een zwart kluisje, voor het goede doel. Andere metalen, zoals brillenpootjes en de scharnieren van de kist, gaan in een grote grijze container van Orthometals, om te recyclen.

In een kleine ruimte verderop zoemt een vierkante machine: de cremulator. Een zwarte schakelaar kan in drie standen worden gedraaid: vullen, malen, legen. Er hangt een wit mondkapje naast. Hier worden de botjes en korrels vermalen tot fijne as, die makkelijk is uit te strooien. Als de asmolen klaar is, lijkt de inhoud van de bak op fijn kattengrind. Ongeveer drie tot vier kilogram.

Hoewel de kist altijd direct na de ceremonie wordt gecremeerd, kan de familie de as pas na een maand komen afhalen. Die maand is bedoeld om de familie wat bedenktijd te geven: wat willen ze met de as? Uitstrooien, in een urn, in een sieraad? „Je kan tegenwoordig zelfs tatoeages met as laten zetten.”

In de kelder staan heel wat asbussen te wachten om opgehaald te worden. Stellingkasten vol. Het lijken lectuurbakken; ordners om tijdschriften in te bewaren. Grijs, open van boven, een witte sticker voorop met datum, naam en nummer.

In de verste hoek van de betonnen kelder doet Kenselaar het licht aan van een kleine, lage kamer. „Dit noemen we de algemene nis.” Weer houten stellingkasten en grijze asbussen. Maar de nummers op deze stickers zijn ouder. 740000, 720000. Sommige zijn blauw of roze gemarkeerd. Dit is de as die niet is opgehaald. Soms doen de nabestaanden dat bewust, zegt Kenselaar. „Ze wachten bijvoorbeeld met oma uitstrooien tot opa ook dood is.” Maar sommige bussen worden vergeten. De oudste bus staat er al een jaar of tien. „We schrijven de familie van de overledene aan om een beslissing te maken”, vertelt Kenselaar. „En tegenwoordig leggen we vast dat wij de as na twee keer aanschrijven mogen verstrooien. Maar wat doen we met de bussen waarvoor dat niet is afgesproken? Op een plank in zo’n betonnen kelder is toch geen eindbestemming.”

„Genoeg in dit enge hok”, zegt Kenselaar, en doet het licht uit. We lopen weer naar boven, met elke stap galmt de metalen trap. Door het raster zie ik onder mijn voeten nog een paar asbussen staan. Langs de oven, de gele gang, en naar buiten, waar de zon de fontein doet fonkelen en een man in een rood jack op een scootmobiel zit voor een urnengraf, het hoofd gebogen.