Column

Als in een roman

Een voor de tv geïnterviewde bewoner van Zwaagwesteinde bracht de gevoelens in zijn dorp treffend onder woorden: „Verslagenheid: verrek, het is iemand van óns.” Veel dorpsbewoners hebben zich lang vastgeklampt aan de theorie dat de moordenaar van Marianne Vaatstra een bewoner van het nabije asielzoekerscentrum moest zijn. Dat heeft destijds tot allerlei racistische uitingen in Zwaagwesteinde geleid, waar nu, in de opluchting over de arrestatie van Jasper S., te gemakkelijk aan voorbij wordt gegaan.

Ook misdaadverslaggever Peter R. de Vries heeft in de eerste periode na de moord zijn aandeel gehad in de hysterische sfeer die in en rond Zwaagwesteinde ontstond. Hij speelde er zelfs een leidende rol in met enkele hetze-achtige tv-uitzendingen. Vier dagen na zo’n uitzending, in oktober 1999, braken er in Kollum onlusten uit waarbij de burgemeester met eieren werd bekogeld.

De Amsterdamse rechtbank wees De Vries in december 2000 in niet mis te verstane bewoordingen terecht over ‘zijn voortrekkersrol’: „De Vries heeft immers als eerste foto’s van de beide asielzoekers getoond en vestigde op deze primeur ook de aandacht. Bovendien bevatte dit programma de regelmatig herhaalde suggestie dat de asielzoekers in het nabij gelegen asielzoekerscentrum in het bijzonder van de kant van de overheid uit politiek opportunisme worden beschermd. Dit standpunt wordt door De Vries op de door hem gehanteerde manier van suggestief vragen en quasi realistische reconstructies met suggestieve paardenmiddelen beklemtoond.”

Het pleit voor De Vries dat hij daarna heeft ingezien – eerder dan een deel van de dorpsgemeenschap – dat hij op een dood spoor zat en de dader hoogstwaarschijnlijk uit de omgeving van Marianne kwam. Vervolgens bleef hij met grote vasthoudendheid deze gruwelijke zaak onder de aandacht van de justitiële autoriteiten brengen.

De doorbraak in het onderzoek mag dan van technische aard zijn, zonder de inzet van De Vries was het er vermoedelijk niet van gekomen. Hetzelfde kan van de Puttense moordzaak gezegd worden. Die lof komt De Vries ten volle toe. Tegelijk heeft het iets verontrustends dat de oplossing van twee van zulke moorden eerder op het debet komt van één volhardend, op persoonlijke titel handelend individu dan op dat van een royaal bemand vervolgingsapparaat.

Wat mij niet minder blijft verbazen, is het ook buiten Zwaagwesteinde heersende ongeloof dat zo’n zich verder normaal gedragende, vriendelijke, hulpvaardige en getrouwde melkveeboer tot een gruwelijke moord in staat zou zijn.

Ze komen al overtuigend voor in goede misdaadromans, bijvoorbeeld die van Patricia Highsmith: psychopathische, schizofrene killers die aan de oppervlakte een normaal bestaan leiden, maar intussen blijven loeren op een kans om hun sluimerende, agressieve impulsen te bevrijden. Daarna verdwijnen ze weer stilletjes naar de achtergrond.

Onvergetelijk in heel zijn huiveringwekkendheid blijft voor mij hoofdpersoon Victor Van Allen uit Deep Water. Deze vriendelijke, oppassende man, geliefd in het plaatsje waar hij woont, ruimt geduldig één voor één de minnaars van zijn vrouw op. „Ik heb ook mijn slechte kanten”, zegt hij tegen iemand, „ik houd ze alleen goed verborgen.”

Bij nader inzien had Victor één macaber trekje: hij koesterde met maniakale toewijding slakken en wandluizen in aquaria in zijn garage. Van hén hield hij.